Herman Verheijen in ere hersteld
Een burgemeester in oorlogstijd
Wie was Herman Verheijen? En hoe zo een Dongenaar? Wat is hem tijdens de Tweede Wereldoorlog overkomen, dat hij in concentratiekamp Buchenwald overlijdt? En waarom heeft het zolang geduurd voor er een oorlogsmonument in Erp is opgericht, waarop zijn naam staat vermeld? Een zoektocht naar de weerbarstige geschiedenis van deze voormalige wethouder van Dongen en sociaal bewogen burgemeester van de gemeente Erp – voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Vanaf eind mei 1945 verschijnen er op de laatste pagina van het Weekblad van Dongen met grote regelmaat dankbetuigingen voor het medeleven van anderen met Dongens families, van wie een vader of zoon behouden zijn teruggekeerd uit Duitsland. Sommigen hebben in de Duitse industrie dwangarbeid moeten verrichten. Anderen komen terug uit concentratiekampen.
En zoals niet alle dwangarbeiders terugkomen, geldt dat zeker ook voor hen die in concentratiekampen opgesloten zijn. Tot de laatste groep behoort Herman Verheijen. De genealogische wortels van Herman liggen niet in Dongen. Toch is het goed beschouwd wel een Dongenaar. Enerzijds doordat hij bij bekende Dongense familie Bressers introuwde. En in de Dongense leerindustrie werkzaam was. Anderzijds omdat hij binnen Dongen jarenlang raadslid is geweest en een wethouderschap heeft vervuld. In het lokale maatschappelijk leven was hij terug te vinden in tal van bestuursfuncties bij verenigingen en organisaties.
Zijn Jeugd
Herman Verheijen werd op 26 oktober 1884 in Roosendaal geboren. De tweede uit een gezin van vier jongens.[1] Zijn ouders, Cornelis Johannes Verheijen en Maria Antonia Mastboom, woonden met het gezin in een groot herenhuis op de Grote Markt in Roosendaal. Vader was gemeentesecretaris. De ouders vonden goed onderwijs en opvoeding belangrijk. Evenals zijn broers ging Herman na de lagere school verder studeren. Aan het Instituut Rolduc in Kerkrade volgde hij aan de HBS een handelsopleiding.
Op 2 maart 1905 verhuisde hij naar Dongen om aan de slag te gaan bij Cornelis Wilhelmus Broos, die aan de Hoge Ham op nummer B 288 een leerlooierij bezat [2]. Niet geheel toevallig bleek Broos (22-02-1849) even als Herman uit Roosendaal afkomstig te zijn. Zijn aanstelling was mogelijk een vriendendienst tussen twee families.
Niet lang daarna, het precieze tijdstip is niet vast te stellen, kwam hij in dienst bij de bekende Dongense leerfabrikant Cornelis Leonardus Bressers. Zowel Bressers als de vader van Herman zijn in deze periode lid van de provinciale staten van Noord-Brabant, mogelijk heeft dat een rol gespeeld. Al na korte tijd verwierf hij een functie in de directie van het bedrijf. Tussen Herman en Johanna Carolina Bressers, de oudste dochter van Bressers, ontstond een liefdesrelatie. Op 14 september 1907 traden zij in het huwelijk[3]. Na hun trouwen vestigden Herman en Johanna zich in Dongen op het adres Hoge Ham 105[4]. Het gezin Verheijen telde acht kinderen, vier jongens en vier meisjes.

Villa Verheijen voor looierij Bressers
Kuiplooierij Bressers totaal overzicht
Herman Verheijen vervulde in het maatschappelijk leven van Dongen, maar ook daarbuiten, een groot aantal openbare functies. In 1918 werd hij lid van de Provinciale Staten van Noord-Brabant, tot 1932. Van 1927 tot 1932 was het raadslid, wethouder financiën en locoburgemeester van de gemeente Dongen. Vanaf de oprichting in 1919 tot de opheffing in 1935 had zitting in de Raad van Arbeid te Tilburg. Vanaf september 1921 is hij aandeelhouder van de NV Machinefabriek, IJzer- en metaalgieterijen constructiewerkplaats Rogier-Nerincx-Richter in Bergen op Zoom[5]. Tegelijkertijd was hij vanaf 1922 bestuurslid van de Kamer van Koophandel voor de Langstraat in Waalwijk[6]. Naast medeoprichter was hij ook lange tijd voorzitter van de R.K. Vereeniging van Nederlandsche Lederfabrikanten. En eveneens bekleedde hij het voorzitterschap van de Federatie van Nederlandsche Lederfabrikanten, et cetera.
In Dongen zelf was hij betrokken bij diverse sociale en maatschappelijke verenigingen. Vijfentwintig jaar lang lid van de Sint Vincentiusvereniging, medeoprichter en voorzitter van de R.K. Woningbouwvereniging ’De Goede Woning’. Meer dan 17 jaar lang was hij president van de Koninklijke Harmonie Musis Sacrum. Voorts oprichter en secretaris van de Vereniging tot Bevordering van het R.K. Onderwijs. Het typeert hem als een mensen-mens, een gemeenschapsmens.
Door veel tijdgenoten werd hij vooral bewonderd en bewierookt om zijn doortastend optreden en juiste inzichten als wethouder financiën. Na het faillissement van de Bank van Van Gastel en de economisch crisis van 1929 bracht hij de zware schuldenlast van de gemeente Dongen weer op orde[7]. Die crisis was enerzijds ook de oorzaak van de neergang van de Eerste Koninklijke Lederfabriek C.L. Bressers. Anderzijds leidde onenigheid van de hoofdfirmant Bressers over het invoeren van een nieuw leerbewerkingsprocedé met zijn medefirmanten ertoe, dat Bressers al zijn geld uit de fabriek terugtrok. Verheijen moest als directeur van de firma overgaan tot liquidatie. En dus ook opzoek naar ander werk.
Zowel het gezin Bressers als het gezin Verheijen heeft verdriet en tegenslag gekend. Op 10 november 1918 overleed Anna Cornelia Bressers, een zus van Cornelis Leonardus, net dertig jaar oud en nog ongehuwd. Nog geen drie dagen later stierf de oudste dochter van Herman Verheijen, Maria Henriette, slechts negen jaar oud. En enkele dagen daarna, 17 november 1918, werd Johannes Bressers, een jongere broer van Cornelis het slachtoffer van de destijds heersende Spaanse Griep[8].
Tussenstop in Utrecht
Uit hun gezinskaart wordt duidelijk dat zij in 1932 uit Dongen vetrekken om zich in Utrecht te vestigen[9]. Daar betrokken zij een woning aan de Lange Nieuwstraat, op nummer 103[10]. Om zijn zoon Wim te begeleiden bij zijn eerste stappen als zelfstandig ondernemer, koopt Herman een fabriek in suikerwerken op. Als zich korte tijd later voor Wim de kans voordoet om zich als compagnon in te kopen in een Utrechtse kartonnagefabriek, trekt vader Herman zijn geld terug uit het suikerwerkenbedrijf en investeert het in deze nieuwe veel belovende onderneming.
Maar eigenlijk heeft toch een geheel andere reden ten grondslag gelegen aan het vertrek van het gezin Verheijen uit Dongen. Uit een brief, gedateerd 7 juli 1942 van de Dongense veldwachter Willem Haarbosch, blijkt dat Herman Verheijen in 1931 tevergeefs gesolliciteerd heeft op de vrijgekomen burgemeesterszetel in Dongen[11]. Niet hij, de locoburgemeester, werd aangesteld maar Karel Wouters, die vanaf 1926 burgemeester was van Vinkeveen en Waverveen. Kortom zowel zakelijk als bestuurlijk lag er voor Herman Verheijen geen toekomst meer in Dongen.
Burgemeester van de Gemeente Erp
Kennelijk zijn Verheijens bestuurlijke ambities na 1932 toch sluimerend aanwezig gebleven. Zijn naam – Herman Verheijen, Utrecht- is terug te vinden op nummer 56 van de kandidatenlijst voor het burgemeesterschap van de gemeente Veghel, die gedateerd staat op 6 april 1936[12]. Uit het benoemingsverslag van de CDK aan de Minister van Binnenlandse Zaken blijkt dat hij een goede indruk heeft achter gelaten, maar dat er een betere gegadigde is. Het kan achteraf beschouwd worden als zijn publiekelijke aankondiging terug te willen keren in het bestuurlijke circuit. Nog geen vier maanden later, bij zijn gooi naar het burgemeesterschap van de gemeente Erp heeft hij meer geluk. Met ingang van 1 augustus 1936 werd hij er benoemd.
Installatie Verheijen 1936
Erp telde onder de oorlog zo’n 3385 inwoners, waarvan het merendeel in de dorpskern woonde en de rest in de gehuchten Keldonk en Boerdonk[13]. De feestelijke installatie volgde op 4 augustus. Zwaaiende vaandels, praalwagens, muziekgezelschappen, sportverenigingen: alles en iedereen liep uit om de nieuwe burgervader een hartelijk welkom te heten. Het gezin Verheijen nam op 12 augustus 1936 zijn intrek op het adres Brugstraat B 71.
Ambtswoning 1935, Brugstraat te Erp 1
Saillant details is in dit verband de vaststelling dat door de jaren heen bij de burgemeestersbenoemingen in de gemeente Erp een aantal namen van sollicitanten steeds opnieuw opduiken, met name die van wethouder Jonkheer Otto E. C. de Kuijper en de gemeentesecretaris Johannes Sleegers, zowel in 1932 als in 1936[14]. Verheijen lijkt onder de oorlog goed met hen te hebben kunnen samen werken. Ondanks tegengestelde belangen (ambitie voor het burgemeesterschap) heeft er zo blijkt – waarover details verderop -toch een vertrouwensband tussen hen bestaan. Als ervaren bestuurders, leeftijds- en plaatsgenoten beschikten zij met elkaar over een enorme hoeveelheid formele en informele kennis van het politieke en maatschappelijk leven in de gemeente Erp. Er zal niet veel in Erp hebben kunnen gebeuren, of zij hadden er weet van.
De Kuyper, Verheijen, Sleegers
Burgervader en Gemeenschapsman
Divers opmerkingen van de dochter van Herman Verheijen, Maike, die ze gemaakt heeft in een interview, dat na de oorlog is opgenomen door de middelbare scholier Don Verheijen (de zoon van haar broer Frans Verheijen) typeren de omgang van de burgemeester met zijn dorpelingen[15]:
‘En dan brachten de boeren in de zomer altijd hanen en hazen in vaders
Kantoortje, het hanenkantoortje. En als het jacht was dan aten we haas,
Want die brachten zij altijd!’
Op het huidige Hertog Jan plein van Erp (voorheen het Harmonieplein) stond in het verleden een kiosk waaruit sinds jaar en dag muzikale klanken over het dorp uitwaaiden.
Muziekkiosk, Harmonieplein te Erp
De snaar van het gemeenschapsgevoel werd geraakt door burgemeester Herman Verheijen. Hij lanceerde op 20 mei 1938 het plan voor de bouw van de kiosk in het centrum van het dorp, op het Harmonieplein, ter vervanging van het oud bouwvallige houten exemplaar. Het muziekgebouw groeide opnieuw uit tot het middelpunt van allerlei festiviteiten, van kindheidsoptochten tot zomerconcerten. In zijn hoedanigheid van voorzitter van de lokale harmonie Oefening Baart Kunst zal hij er zeer tevreden over geweest zijn[16].
Het Nederlands bestuursapparaat onder hoogspanning
Om het handelen van burgemeester Herman Verheijen tijdens de Tweede Wereldoorlog goed te doorgronden en te begrijpen, is het noodzakelijk zicht te krijgen op en inzicht te hebben in het bredere bestuurlijk kader waarbinnen hij en al zijn collega-burgemeesters hebben moeten manoeuvreren[17].
In de verwachting dat de Nederlandse bevolking en de Nederlandse staat via de weg van de geleidelijkheid er toe gebracht zou kunnen worden om het nationaalsocialisme te omarmen werd het civiele bestuurlijk apparaat, in tegenstelling tot andere door Duitsland bezette landen, door Duitse machthebbers in takt gelaten[18]. De nazificatie van het lokale bestuur was tegelijkertijd doel en middel.
Het bestuursapparaat (de departementen, de provinciale staten en de gemeenten) kwam onder leiding te staan van Secretaris Generaal Frederiks. Hij ging van de veronderstelling uit, dat door het in standhouden van het bestuursapparaat men de belangen van de Nederlandse bevolking het beste kon behartigen, stelde men zich op het standpunt, dat men als Secretaris-Generaal, als Commissaris van de koningin en als burgemeester niet uit vrije wil ontslag nam.
Het burgemeestersambt kende een grote zelfstandigheid en een geheel eigen verantwoordelijkheid. En die werd door de Secretaris Generaal en de Commissaris van de koningin wel bewust bij de burgemeesters gelaten. In het verstrekken van raad en advies aan de burgemeesters waren zij uiterst terughoudend. Beide bestuurders konden formeel, en dus openlijk, niet aan de burgemeesters het advies geven om de eisen van de Duits machthebbers te weigeren. Voor een dergelijk advies zouden zij dan immers, de bestuurlijke verantwoordelijkheid moeten aanvaarden. Daarmee zou de deur opengezet worden om de Secretaris-Generaal, de Commissarissen van de Koningin en in het vervolg daarop alle burgemeesters door de Duitsers tot aftreden zijn gedwongen en vervolging worden blootgesteld. Kortom een dergelijk handelswijze zou het einde van het Nederlandse civiele bestuursapparaat hebben betekent en zo de weg hebben vrijgemaakt voor een Duits civiel bestuursapparaat. Een bestuurlijke machtsovername, waarop NSB-leider Mussert al lange tijd zijn zinnen had gezet.
Binnen deze bestuurlijke dilemma’s kon door de Secretaris Generaal en de Commissarissen van de Koningin tot halverwege 1943 wel vergaderingen houden met de burgemeesters om hen in hun zorgen bij te staan en hen vooral met elkaar in contact te brengen, een soort van gemaskeerd burgemeestersoverleg. Van deze beraadslagingen op lokaal, provinciaal en soms departementaal niveau werden bewust geen notulen bijgehouden, om niet het risico te lopen dat zij eventueel in Duitse handen zouden komen.
Enerzijds gold dat in het gemeentehuis zich de knooppunten bevonden, waar de draden van het maatschappelijk leven samen kwamen. Maar tegelijkertijd vormden de bestuurlijke kanalen de sluizen waarvan de bezetter zich bediende om een belangrijk deel van zijn voorschriften -geboden en verboden- op te leggen. Het zal duidelijk zijn dat alle machtsmiddelen in Duitse handen waren. Er restte de diverse bestuurslagen niet veel anders dan een politiek te voeren van uitwijken, uitstel forceren, tijdwinst boeken, zo klein mogelijke concessies te doen en waar mogelijk sabotage te plegen. Met deze opstelling heeft het Nederlands bestuursapparaat nog tot bijna het einde van de Tweede Wereldoorlog behoorlijk kunnen functioneren.
Maar er is wel een prijs voor betaald. De bestuurlijk last en verantwoordelijkheid kwam volledig op de schouders van de lokale bestuurders, de Noord-Brabantse burgemeesters te liggen. Elk van hen moest voor zichzelf de grens bepalen in de ´samenwerking´ met de bezettende Duitse macht. Meegaan, weigeren, ziekmelden, ontslag nemen of onderduiken.
De Oorlog in Erp
Alvorens de oorlog in Erp meer in detail te onderzoeken is het goed om er even bij stil te staan, dat de spanning van de oorlog, die op komst is al veel eerder gevoeld is, ook in Erp. In het mobilisatie dossier van Erp bevindt zich een handgeschreven overzicht op datum van alle correspondentie die te maken heeft met de mobilisering, die correspondentie start al in 1929. Ook burgemeester Verheijen, nog maar net geïnstalleerd, zag zich geroepen, in het kader van artikel 32 van de inkwartieringswet, om op 17 augustus 1936 aan dhr. H. van Berlo, die in het bezit was van een vrachtwagen van het merk Ford, deze ter vordering aan te bieden, zodat die tijdig in Boekel gekeurd zou kunnen worden[19]. Kortom, voor de bevolking van Erp en zijn burgervader(s) werd de oorlog al tastbaar ruim voor hij in 1940 het dorp bereikte.
Uit een brief van 30 juli 1941, die namens de algemeen gemachtigde voor den wederopbouw en voor bouwnijverheid gestuurd is aan burgemeester Verheijen wordt duidelijk dat de ambtswoning, staande op perceel Brug B.71 en dat eigendom van de gemeente is, oorlogsschade heeft opgelopen[20]. Het dak was niet meer waterdicht en het beschadigde glas kon aanvankelijk slechts provisorisch hersteld worden. Uiteindelijk bleek rond december 1942 dat het glas in lood door gebrek aan materiaal voorlopig niet te repareren was.
Brug over de Aa bij ambtswoning 1940
Na de overgave van Nederland hief de Duitse bezettingsmacht medio augustus 1941 de gemeenteraden op[21]. Het openbaar bestuur van Erp kwam in handen van burgemeester Herman Verheijen te liggen, die daarbij ondersteund werd door zijn ambtenarij, onder leiding van de gemeentesecretaris J. Sleegers[22].
Burgemeester Verheijen en zijn wethouders, L. Scheepers en C. van Berlo, bleven met enige regelmaat vergaderen. Er werden geen gemeenteraads-verslagen meer gemaakt enkel nog besluitenlijsten, die Verheijen ondertekende met de vermelding ‘als waarnemer van de Raad van Erp’[23].

Graf oma Verheijen in Erp
Oma Verheijen
Onder de oorlog kwam zijn echtgenote Johanna Bressers op 18 januari 1942 te overlijden. Een val van de trap in de kelder werd haar die ochtend om half negen fataal. In de overlijdensverklaring van de huisarts Henrar staat als doodsoorzaak vermeld, dat zij aan een spontane interne hersenbloeding is overleden[24]. In datzelfde jaar liep de eerste termijn van het burgemeesterschap van Verheijen af. Met instemming van de Duitse machthebbers werd hij door de commissaris van de koningin van Brabant op 1 augustus 1942 herbenoemd voor een nieuwe periode van 6 jaar[25]. In oktober van dat jaar zag Verheijen zich gedwongen om aan de commissaris van de koningin te melden, dat hij op de zevende van die maand overvallen werd door een hartzwakte (lees hartaanval), niet heel ernstig en dat hij verwachtte zijn werkzaamheden de volgende dag vanaf zijn ziekbed te kunnen voortzetten. Na onderzoek in het ziekenhuis in ’s Hertogenbosch werd hem geadviseerd op minimaal vijf dagen rust in acht te nemen. Toen hij uiteindelijk op 20 oktober 1942 uit het ziekenhuis zijn ontslag kreeg gaf men hem de raad om nog enige weken bed te houden[26]. De hartkwaal is hem onder de oorlog parten blijven spelen. Na een nieuwe hartaanval op 15 mei 1943 verleende de Commissaris van de koningin hem een ziekteverlof tot 21 augustus 1943[27]. Verheijen bleek een vernauwde longslagader te hebben, waardoor het zuurstofarme bloed niet door de longslagader kon en het door een gat tussen de hartkamers werd terug geperst[28]. Tijdens zijn afwezigheid werd hij als burgemeester vervangen door de heer Wijnhoven uit Sambeek.
Ambtenaren tewerkgesteld in Duitsland: tegenwerking in Erp
Op 24 juli 1942 werd door de Duitse bezettingsmacht Verordening nr. 42/41 en 26/42 uitgevaardigd: Tewerkstelling van overheidspersoneel in Duitsland en de bezette gebieden. Ook in Erp wist men zich aan deze verplichting gehouden. Toch bood men, onder eindverantwoordelijkheid van burgemeester Verheijen, wel enig verweer, door aan het Gewestelijk Arbeidsbureau in ’s-Hertogenbosch op 10 oktober 1942 het volgende antwoord te sturen[29]:
‘Van de losse arbeiders dezer gemeente is absoluut niemand te missen. De gemeente bezit nl. ruim 300 hectaren dennenbosschen, waarvan in opdracht van het Staatsboschbeheer nog dezen winter ruim 100 hectaren gedund moet worden. Doordat wij reeds eenige tijd te weinig arbeiders gehad hebben is daarin een achterstand gekomen.
Ook heeft de gemeente het onderhoud van diverse zandwegen en waterleidingen, die alle dringend herstel behoeven. Oudere krachten zijn niet te krijgen.
Verder zijn op arbeidscontract werkzaam een gemeentebode met den leeftijd van 64 jaren en een volontair ter secretarie oud 19 jaren, welke laatste studeert voor – en zich verder bekwaamt in – de gemeenteadministratie.
Getekend: de burgemeester van Erp: Herman Verheijen
Mededelingen, die hij steeds bleef herhalen in zijn antwoorden aan het Gewestelijk Arbeidsbureau en aan ‘Den Herrn Beauftragten der Reichskommissars in der Provinz Noord-Brabant’ per adres Haus Roucouleur in Vught.
Op 20 januari 1943 zag hij zich onder alle Duitse en Nederlandse ambtelijke druk gedwongen een lijst van overheidspersoneel in de gemeente Erp op te stellen. Met een rood (kan niet gemist worden) of geel (kan bij vinden van een vervangers eventueel gemist worden) kruis voor de naam behoorde de mogelijkheden aangegeven te worden[30].
Opgaaf
Personeel secretariaat:
Adrianus Heijkants Eerste Ambtenaar (rood kruis)
Petrus Beers Gemeente-ontvanger (rood kruis)
Jan van der Linden Derde ambtenaar (rood kruis)
Gemeente-bode
Johannes van den Bogaard Bode (rood kruis)
Arbeiders in vaste dienst
Marinus van der Laar Voorwerker (rood kruis)
Cornelis van der Laar Arbeider (rood kruis)
Henricus Verbakel Arbeider (rood kruis)
Lambertus van den Elsen Arbeider (rood kruis)
Arbeiders in losse dienst
Petrus van den Crommenacker Arbeider (rood kruis)
Marinus Verbakel Arbeider (rood kruis)
Johannes van der Laar Arbeider (rood kruis)
Johannes Huijbers Arbeider (rood kruis)
Hendricus van Dooren Arbeider (rood kruis)
Johan van den Crommenacker Arbeider (geel kruis)
Gerardus van den Akker Arbeider (geel Kruis)
Voor de twee losse arbeiders, die voor Duitsland zijn aangewezen, hebben we geen vervangers kunnen krijgen.
Niemand kan gemist worden! (Herhaling van argumenten uit brief van 10-10-1942)
Het traineren van het sturen van het overheidspersoneel van Erp krijgt op 4 oktober 1943 uit de handen van burgemeester Verheijen een vervolg:
Aan het Gewestelijk arbeidsbureau:
In de lijst van het gemeentepersoneel zijn twee wijzigingen gekomen.
Johan van den Crommenacker is niet meer in dienst van de gemeente/
Gerardus van den Akker is reeds werkzaam in Duitsland
Mag ik nog wijzen op de circulaire van het departement van Binnenlandse Zaken d.d. 9 februari 1943 Nr. 4159/G afdeling Ambtenarenzaken, volgens welke in gemeenten van beneden 5000 inwoners geen overheidspersoneel voor Duitsland aangewezen zal worden.
De ‘Deutsche Dienststelle beim Arbeitsamt Herzogenbusch’ gaf Verheijen op 7 oktober 1943 een nadrukkelijke waarschuwing[31]:
An den Hern Bürgemeister der Gemeinde Erp,
dass Sie sich weigern, die angefordte Liste von Abzug von Arbeitskraften aus den öffentlichen Diensten einzureichen. Ich ersuche Sie deshalb zu mir bis zum 15-10-1943 vorzulegen, da bei nicht Vorlage der selbender Abzug ohne Rücksicht auf die Beschäftigung der einzelnenKräfte durchgeführt wird.
Waarop Verheijen heeft laten weten dat alles al lang ingestuurd is en een brief is nagezonden met alle veranderingen. Dus zou het niet als een weigering opgevat moeten worden. Om de ‘Herrn Aufgetragten…’ ter wille te zijn stuurde de burgemeester op 12 okt 1943 een geactualiseerde lijst mee. Deze was exact hetzelfde met de volgende aanpassingen en aanvullingen:
Toegevoegd
Johannes Sleegers Gemeentesecretaris (rood kruis)
Afgevoerd
Johannes Huijbers Arbeider (rood kruis)
Johan van den Crommenacker Arbeider (geel kruis)
Gerardus van den Akker Arbeider (geel Kruis)
De Arbeitseinsatz in Erp en zijn kerndorpen.
Al vorens in te zoomen op de gebeurtenissen in de gemeente Erp is het verhelderend om vooraf naar het grotere plaatje, de grotere context van het werken in Duitsland in de periode van voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog te kijken. De vooroorlogse periode in Nederland werd gekenmerkt door grote werkeloosheid en tewerkstellingsprojecten. Om het aantal steunuitkeringen te verminderen bevorderden de Nederlandse autoriteiten de mogelijkheden voor het gaan werken in Duitsland. En zelfs nog in augustus 1940 werkten er op de vliegvelden, die in Nederland door de Duitsers werden aangelegd zo´n 50.000 Nederlandse werknemers, waaronder een groot aantal vrijwilligers. Hetgeen door de Nederlandse overheid als ‘passend´werk werd beschouwd. Ook het werken aan Duitse kustversterkingen in België of Frankrijk viel daarbinnen[32].
Na deze vaststelling kan begonnen worden met het onderzoeken van de afgedwongen arbeidsinzet, zoals die vanaf 1942 in Nederland en de gemeente Erp in het bijzonder zijn beslag kreeg. Vanaf dat jaar voerde Duitsland zowel op het Oost- als het Westfront oorlog. Het Naziregime legde vanaf die tijd aan arbeiders uit de bezette gebieden de verplichting op om in de Duitse oorlogsindustrie te gaan werken. Het is ook het jaar waarin in Nederland de Arbeidsdienst werd ingesteld.
De ‘Beauftragter für das Arbeitsbereich in den Niederlanden und Generalkommissar zur besonderen Verwendung’ werde Fritz Schmidt. Onder hem ressorteerde vanaf april 1942 de ‘Hauptabteilung Soziale Verwaltung’, het orgaan dat zich intensief zou gaan bezighouden met het inschakelen van Nederlanders in de Duitse oorlogseconomie. Door hem werd de weg vrijgemaakt voor het stelselmatig uitkammen van Nederlandse bedrijven voor arbeiders, die in aanmerking kwamen voor gedwongen arbeid in Duitsland. Precies zoals eerder bij het gemeentepersoneel werden vanaf dan ook Nederlandse bedrijven verplicht opgave te doen van hun personeelsbestand met daarbij aangetekend de (on)misbaarheid van elke afzonderlijke werknemer. Nationaalsocialistische toezichthouders op de Gewestelijke Arbeidsbureaus wezen uiteindelijk de personen aan die geschikt waren voor uitzending naar Duitsland[33].
Voor de gemeente Erp zijn vooralsnog geen overzichtslijsten beschikbaar van inwoners, die gedwongen tewerkgesteld zijn geweest in Duitsland. Dat er wel Erpenaren in zogeheten Arbeitslager gezeten hebben is door onderzoek van de hedendaagse Duitse ‘Arolsen Archives’ duidelijk geworden[34]. Of en hoe, en mogelijk welke rol het gemeentebestuur cq. burgemeester Herman Verheijen heeft gespeeld blijft voor alsnog onduidelijk. Zoals gemeld, lag de leiding en mogelijk ook de uitvoering volledig bij de toezichthouders van het Gewestelijk Arbeidsbureau. In genoemde archieven hebben wij de volgende personen kunnen terugvinden:
Arnaud Heijkants, die op 16 maart 1912 in Erp geboren werd heeft van 25 mei 1943 tot 30 september 1944 in Erklenz (Duitsland) ingeschreven gestaan als ‘Arbeiter’ bij machinefabriek Aker Wirth & Co, op het adres Kölnerstrasze 71-73. Zijn verblijfplaats na september 1944 is onbekend!
Adrianus Wilbers uit Erp, geboren op 23 december 1911, kwam als ’Arbeiter’ voor op de namenlijst van de ijzergieterij Burbacher in Saarbrücken. In de periode van 16 augustus 1943 tot 22 maart 1944 is hij in diverse zogeheten ‘Arbeitslager’, arbeiderskampen, in en rond Saarbrücken ondergebracht geweest. Ook van hem is zijn verblijfplaats na 22 maart 1944 onbekend!
Maria Dubois op 25 augustus 1925 in Erp geboren is teruggevonden op een namenlijst van het Allgemein Krankenhaus Hamburg. Onder nummer 793R stond zij aangemeld. Ze verbleef er van 27november 1944 tot 6 januari 1945 vanwege de geslachtsziekte syfilis en het hebben van schurft. Na haar ontslag uit het ziekenhuis is zij overgebracht naar het kamp PalMaille in Hamburg. Haar verdere verblijfplaats(en) zijn onbekend gebleven! Wel is bekend dat deze straat vrijwel geheel werd platgebombardeerd.
Adrianus Johannes Brouwers, (geboren 02-04-1900, Erp)
Hendricus van der Sanden, (geboren 30-059121, Erp)
Arnoldus van Rooy, (geboren 31-03-1900, Erp)
Petrus Beekmans, (geboren 04-01-1923, Erp)
Cornelis Berlos (geboren 11-02-1914, Erp)
Leonardus van der Laar (geboren 16-01-1916, Erp)
Marinus van der Kerkhof (geboren 04-04-1913, Erp)
Wilhelmus Johannes van Geffen (geboren 24-02-1923, Erp)
De lijst kan nog aangevuld worden met de twee zoons van boswachter Marinus van der Laar, woonachtig aan de Gemertsedijk in Erp[35].
Arbeitseinsatz auf Fliegerhorst Volkel
Vanaf half augustus 1940 tot aan de lente van 1941 hebben de Duitsers gebouwd aan het vliegveld Volkel, zo’n dertien kilometer ten noordoosten van Erp. Niet meer dan drie onverharde startbanen en enkele hangars. Als het gereed is vervuld het in de jaren daarna de functie van vliegbasis voor jagers, die overdag het luchtruim bewaken. Tevens werd het in noodgevallen gebruikt als uitwijkveld. Maar vanaf augustus 1943 is het permanent in gebruik. Ook inwoners van Erp werkten in 1942, maar ook er voor die tijd, al op het vliegveld Volkel voor de aanleg van de startbanen[36].
De eerste geallieerde bombardementen van de basis begonnen vanaf maart 1944[37]. Voor het herstel van de schade die ontstond, onder meer veroorzaakt door de zware bombardementen van juli, augustus en september 1944, hebben de Duitsers geprobeerd een aantal inwoners uit de omliggende dorpen in te schakelen. Het opvullen van de bomkraters met zand en puin, het repareren van de gaten in de startbanen en het egaliseren van het veld zelf was veel werk.
Fliegerhorst Volkel na bombardementen RAF 15 augustus 1944
Er werd aanvankelijk vooral een beroep gedaan op boeren om met paarden wagen om aan te treden. In het allereerste begin lukte het de Duitsers nog om tegen betaling werkmensen te krijgen. Maar na enkele dagen wilde een behoorlijk aantal van die vrijwilligers alweer van hun ‘dienstverband’ af en bleven verder thuis. De Duitse leiding had bepaald dat wie uitbetaald wilde worden op de basis moest komen ondertekenen. Maar wie kwam werd verplicht tot een gedwongen aanmelding en kreeg te horen wanneer hij opnieuw op het vliegveld diende te verschijnen.
De verwoede pogingen om in Erp nieuwe groepen ‘dwangarbeiders’ te rekruteren mislukten steeds vaker. Zodra geruchten opdoken, dat De Duitsers weer op zoek waren naar arbeidskrachten, verdwenen de jongere mannen uit het dorp Erp. Zij hielden zich dan enige tijd verscholen in de omliggende boscomplexen van Het Goor en het Hurkske, ook wel het Lijnt genoemd.
Kort daarna schakelden de Duitsers over op een andere methode. Zij legden simpelweg de volle verantwoordelijkheid voor het aanwijzen van arbeidskrachten om op het vliegveld te gaan werken bij de burgemeesters van de omringende dorpen. Afhankelijk van de dorpsgrootte moesten 25 tot 50 inwoners aangewezen worden.
In een vervolg op de hier boven opgenomen kadertekst met betrekking tot het Nederlands bestuursapparaat is het verhelderend om nog eens terug te blikken op de uiterst moeilijke bestuurlijke omstandigheden, waarin de tot dan toe nog aangebleven burgemeesters verkeerden. De burgemeesters, door de secretaris-generaal van Binnenlandse zaken en de Commissarissen van de Koningin in die positie gedwongen, vormden onder hun eigen verantwoordelijkheid de schakels tussen het Duitse bezettingsbestuur en de lokale Nederlandse dorpssamenlevingen. Zij moesten zich voortdurende de vraagstellen of ze naar eer en geweten hun werk konden blijven doen[38]. Het door de Duitsers ingevoerde ‘Führerprinzip’ eiste dat de burgemeester als eenhoofdige leider van het plaatselijk bestuur optrad. Maar tegelijkertijd kwam hij onder permanent Duitse bestuurlijke controle te staan. Zo is ook achteraf gebleken dat burgemeester Herman Verheijen al vanaf juni 1942 door de provinciale vertegenwoordiger van Reichskommisar Seyss-Inquart in de gaten werd gehouden zoals uit de navolgende brief van de NSB Districtsorganisator J.G. Boon duidelijk wordt[39].
Dem Beauftragte für de Provinz Nord-Brabant,
Huize Roucouleur, Vught
Tilburg, den 30. Juni 1942
Bezugnehmend auf Ihre gefl. Anfrage von 15.6.1942 betr. Bürgermeister H. Verheyen zu Erp habe ich Aufkunft erhalten, dass dieser Mann seht ungeeignet is für diese Posten und bereits vor 1940 sehr viele Klagen gegen ihn bestanden. Es sollen damals bereits über 30 Familien die Gemeinde verlassen haben, da der Bürgermeister für seine Bürger auf sozialen gebiet nichts getan hat, keine Arbeitsbeschaffung und keine Unterstützung.
Er ist dort dengemass überhaupt nicht beieibt und steht vollkommen neben das Volk.
Für das W.H. Werk (Winterhulp) und den N.V.D. (Nederlandse Volksdienst) wird nur zoviel getan als notwendig ist um sein amt niet zu gefährden (in gevaar te brengen).
Seine Söhne waren Propagandisten für die Niederlandische Unie.
HOU ZEE
De districtsorganisator)
Getekend, J.G. Boon
Een brief, uit hetzelfde archief van de Commissaris van de Koningin, van een andere rapporteur aan de Beauftragte, gedateerd op 24 mei 1943, bevestigt, dat men hem scherp in de gaten hield[40]:
Bij een recente vergadering van de N.V.D. (Nederlandse Volks Dienst) was de burgemeester met het voltallige gemeentepersoneel aanwezig. Overige uitnodigingen had hij echter slechts één verzonden. (Auteur, feitelijk geen opkomst, door deze sabotageactie van de burgemeester)
Eenige maanden geleden werd door de prijsbeheersing een fiets in beslag genomen. Het verwondert de bevolking zeer hoe het mogelijk is dat dit rijwiel 8 dagen later het bezit van de burgemeester is, die daarop thans nog steeds rondrijdt. Ook al zou dat wettelijk in orde zijn dan blijft het nog zeer tactloos.
De slager in Erp is veroordeeld, omdat hij twee hammen aan den burgemeester verkocht heeft. De burgemeester echter werd niet bestraft.
Het is op het ogenblik in Erp zoo, dat een jonge en energieke nationaalsocialist de bevolking met één slag in nationaalsocialistische richting kan omzetten.
De Beauftragte voor Noord-Brabant was van 17 september 1941 tot juli 1943 Willi Ritterbusch. Opgevolgd door de SS’er Robert Thiel, die zelf weer op 1 mei 1944 werd vervangen door Oberstrumbahnführer Heinrich Sellmer. Hij is degene die in juni 1944 aan de burgemeesters in Noord-Brabant de opdracht gaf om personen aan te wijzen, die ten behoeve van de Duitse verdedigingswerken tewerkgesteld zouden worden. Hij dreigde ermee, dat degene, die weigerde gearresteerd zou worden en ingesloten in kamp Vught.
Dat burgemeester Verheijen gewiekst en sluw handelde in lijn met de Nederlandse bestuurlijk voorgeschreven politiek van uitwijken, uitstel forceren, tijdwinst boeken, zo klein mogelijke concessies te doen en waar mogelijk sabotage te plegen mag onder andere blijken uit het weerwoord dat hij bood tegen het verbod om optochten op de openbare wege te houden. In een eerder schrijven van de gewestelijk directeur van Politie op donder dag 7 mei 1942, waarin hij verontwaardigd geconstateerd heeft[41]:
‘…dat er op de zondag daarvoor tochten naar bedevaartsplaatsen zijn gehouden waarbij groepen van 20, 30, ja zelfs 60 personen zich op de buitenwegen bevonden terwijl er liederen gezongen werden, welke al zeer weinig strookten met het aan deze tochten eigen karakter. …door de höheren SS- und polizeiführer uitgevaardigd marschverbod, geldt voor groepen van meer dan tien personen…’
Op 2 Juni 1942 werd Burgemeester Verheijen daarvoor nogmaals op de vingers getikt. Zijn antwoord daarop was:
‘Elk jaar worden er in deze gemeente in het kerkdorp Keldonk op 13 juni en de daaropvolgende zondag kerkelijke plechtigheden gehouden ter ere van de H. Antonius. Deze worden ook thans nog gehouden.
Bij deze gelegenheden, die in zekeren zin bedevaarten genoemd kunnen worden, komt er veel volk te zamen. De menschen komen echter allen op eigen gelegenheid, zoodat er geen optochten, processies e.d. op den openbare weg gehouden worden. Wel is het gebruikelijk, dat tijdens de godsdienstoefening in den namiddag een processie gehouden wordt op particulier terrein rondom de kerk.
Boven genoemde plechtigheden worden reeds gedurende 30 jaar gehouden
De Burgemeester van Erp
Ondertekend: Herman Verheijen’
Dat de burgemeester van Erp hierin niet alleen en op eigen houtje handelde mag blijken uit een boze reactie van de Gewestelijk directeur van Politie op 2 augustus 1942 aan alle burgemeesters:
‘Op mijn aanschrijven van 13 juni 1942 ontving ik van de meeste Hoofden van politie (dus de burgemeesters) een opgave van alle in hun gemeenten vóór 1 januari 1940 gebruikelijke processies en bedevaarten. Dit was niet gevraagd.
Daar schifting van uit die grote hoeveelheid niet mogelijk is, verzoek ik u mij zo spoedig mogelijk een opgave te doen van alleen de allerbelangrijkste van oudsher in uw gemeente gehouden processies en bedevaarten!’
Op 2 september 1942 stuurde de Gewestelijk directeur van Politie dhr. N.J. van Leeuwen een rondschrijven aan alle burgemeesters in zijn rechtsgebied[42]:
‘…Dat is gebleken dat in eenige gemeenten van mijn ressort in strijd met het ter zake uitgevaardigd verbod, processies en priesterfeesten hebben plaats gehad, waarbij ook aan openbare gebouwen, straten en pleinen uitvoerige versieringen, vlaggen enz. waren aangebracht, zonder daarvoor het zij rechtstreeks, hetzij door mijn tusschenkomst vanwege de bevoegde Duitse instantie de vereischte toestemming was verkregen.
…betrokken plaatselijke hoofden van politie waren nog niet volkomen op de hoogte van de thans op dit punt bestaande voorschriften….
.. Tot nader order zijn alle processies of andere optochten van godsdienstige aard op openbare wegen verboden, terwijl bij priesterfeesten alle uiterlijk vertoon, zoals versieringen aan gebouwen en openbare wegen achterwege moeten blijven.
U gelieve met het bovenstaande ernstig rekening te houden en te doen houden.
Gewestelijk directeur van Politie
Ondertekend: N.J. van Leeuwen’
Bewakingsdienst tegen sabotage
Vanaf 1943 groeide er onder de Nederlandse bevolking steeds meer verzet tegen de Duitse bezetting. Herhaaldelijk werd erdoor groepen of eenlingen uit het verzet sabotage gepleegd op Duitse eigendommen[43]. In reactie hierop werden burgemeesters verplicht een zogeheten ´Bewakingsdienst tegen Sabotage´ op te zetten. De Duitse Wehrmacht wees de objecten aan die bewaakt moesten gaan worden. De leden van deze dienst, een burgerwacht, stonden onder bevel van het hoofd van de plaatselijke politie, de burgemeester dus, en werden gecontroleerd door de lokale politie[44]. De bewakers kregen een op naam gesteld legitimatiebewijs, een witte armband met het opschrift Bewakingsdienst en voorzien van een gemeentelijke stempel.
Burgemeester Verheijen gaf destijds, gezien zijn brief van 16 januari 1943 gericht aan de Polizei-Offizier beim Beauftragte niet zonder weerstand gevolg aan dit bevel:
‘….ich beehre mich ihnen mit zu teilen, dass sich meiner Meinung nach jetzt keine Gegenstände in dieser Gemeinde befinden für welche eine Bewachung eingestellt werden muss.
Wenn in der Zukunft gegebenfalls Gefahr für Sabotage besteht so werde ich Ihnen das gleich mitteilen, damit der Bewachungsdienst in Kraft treten kann.
Ondertekend Herman Verheijen’
Toch zag ook Herman Verheijen zag zich op 10 april 1943 verplicht om hier uitvoering aan te geven. Voor deze betaalde functies werden vrijwilligers opgeroepen. Er waren maar een beperkt aantal vrijwilligers. Daarop vorderde de Duitse Wehrmacht een veertiental mannen uit Erp en wijdere omgeving[45].
De belangrijkste bewakingsopdrachten, die opgelegd werden, betroffen de opslag van ‘Stroh für die Wehrmacht bestimmt’. Door de Duitse ‘Ortskommandantur’ te ’s Hertogenbosch werd met een brief van 03-05-1943 op het grondgebied van Erp een object aangewezen, namelijk het bedrijfsterrein van de firma Grard van de Heyden. Hier lag ruim 400.00 kg stro, bestemd voor de Duitse Wehrmacht, opgeslagen. De meeste burgers vonden het toch wel enigszins vreemd; “dè zu zelluf op dur spulle lette” hoorde men wel eens.
In een enkel geval hebben de bewakers de motoren van een neergestort vliegtuig moeten beveiligen. Overdag moest één persoon een object bewaken en s’ nachts twee. De vergoedingen konden door de burgemeester bij de Duitse Wehrmacht gedeclareerd worden. In de periode van 10 april 1943 tot 5 juni 1944 zijn er door Herman Verheijen en zijn tijdelijke vervanger van Wijnhoven herhaaldelijk waarschuwingen aan de bewakers uitgedeeld, omdat zij zich niet aan de gegeven instructies hielden. Gedreigd werd met inhouding loon.
Maar toch werd niet elke opdracht of verzoek van de Duitsers klakkeloos opgevolgd. Zo ging de bewakingsdienst Erp niet in op de Duitse wens om de radiotoestellen, die in het gemeentehuis lagen opgeslagen te bewaken[46].
Op 24 april 1944 bericht het Kabinet van de Gewestelijke Politiepresident te Eindhoven aan alle burgemeesters:
‘De laatste weken brandden veel hooischeven af. Sabotage is in het spel. Ik draag de politiegezagdragers op voor beveiliging te zorgen. ..zij die aansprakelijk zijn, maar weigeren voor veiligheidsmaatregelen te zorgen, maken zich schuldig aan sabotage en stellen zich bloot aan maatregelen!!’
In deze periode bleken ook landbouwmachines, waaronder stropersen, doelwit van sabotage handelingen te zijn.
Uit de aantekening ‘Wacht afgelopen’ na de datum van 5 juni op het werkrooster van de bewakingsdienst tegen sabotage van de gemeente Erp voor de periode van 30 mei tot 6 juni 1944 zou afgeleid kunnen worden dat Burgemeester Verheijen eenzijdig de bewakingsdienst in zijn gemeente heeft opgeheven. In het archief zijn verder geen declaraties van wachturen door de gemeente Erp meer ingediend[47].
Fliegerhorst Volkel: vervolg 1944
In een natuurgebied bij Volkel hebben de Duitsers na mei 1940 een klein vliegveld aangelegd, ‘Fliegerhorst Volkel’. Half augustus 1940 werd er mee begonnen en in de lente van 1941 was de basis gereed. Maandenlang hebben duizenden arbeiders uit alle streken van ons land eraan gewerkt. Ook veel werklui uit onze streek, in dienst van bouw-, grond-, installatie- of ander soort bedrijven vonden er emplooi.
Maar de vrijwilligheid en bereidheid om voor de Duitsers te werken nam sterk af nadat Nederlandse soldaten ‘terug’ in krijgsgevangenschap werden geroepen. De April en Mei stakingen van 1943 markeerden het toenemend verzet van de Nederlandse bevolking. Daarop schakelde de Duitse bezettingsmacht over op een andere wervingsmethode. Men legde aan de burgemeesters de verplichting op om afhankelijk van de dorpsgrootte vijfentwintig tot vijftig inwoners aan te wijzen, die gedwongen waren om een wisselsysteem, aan herstel van het vliegveld te werken[48].
In Erp bestond de door Duitsers eufemistisch aangeduide ‘hulpdienst’ uit vier groepen. Groep I en Groep II hadden een sterkte van 100 mannen met een schop en 15 mannen met paarden wagen. Bij de Groep III en Groep IV moesten er 50 mannen met schop en 10 mannen met paarden wagen opkomen[49]. Een aangewezen persoon moest zich met zijn oproep en zijn persoonsbewijs bij het vliegveldcommando Volkel melden. Op de basis werden er warme maaltijden verstrekt en daarom moesten de arbeiders zelf bord en lepel meebrengen. Het werken op het vliegveld werd uitbetaald[50].
Al bij al hebben toch wel tussen de vijftig en vijfenzeventig Erpenaren voor enkele dagen tot enkele weken zich moeten inzetten voor het herstel van Fliegerhorst. Ook Herman Verheijen, burgemeester van de gemeente Erp, ontkwam niet aan hem opgelegde verplichting om aan vooraf aangewezen inwoners van Erp oproepen te sturen zich voor het herstelwerk te melden, zoals deze bewaard gebleven aanwijzing laat zien:
‘Aan C. Slits wonende C57 te Erp
In opdracht van de Duitsche Weermacht gelast ik U zich
Op 29 maart 1944 des morgens om acht uur te melden aan het
Vliegveld Volkel ten einde daar gedurende 3 opeenvolgende
werkdagen werkzaamheden te verrichten.
(Als op Zondag gewerkt wordt, wordt deze voor een
werkdag gerekend.)
Spade meebrengen.
Vrijstelling kan door mij niet verleend worden.
De Burgemeester van Erp, Herman Verheijen (ondertekend)’
Ook van ander Erpenaren zijn dergelijke aanwijzingen van hun burgervader teruggevonden[51]. Maar er moeten er nog tientallen meer geweest zijn. Ook in de Collectie Otten, ondergebracht bij het BHIC treffen we onder nog andere namen aan[52].
Herman Verheijen heeft zich gedwongen gevoeld om deze oproepen cq. aanwijzingen in de maanden maart en april 1944 te sturen en te ondertekenen. In deze fase van de oorlog, nog ruim voor D-Day (6 juni 1944) en de start van Market Garden (17 september 1944), weigerden de Secretaris-Generaal van Binnenlandse Zaken en de Commissaris van de Koningin in Brabant zich om publiekelijk en formeel uit te spreken over een weigering van burgemeesters om met de Duitse bezetters mee te werken. Toch was dat feitelijk wel het regeringsstandpunt, vastgelegd in de Aanwijzing in geval van oorlog op in mei 1937[53]! Maar zowel bij de Commissaris van de Koningin als zijn directe medewerker, de Chef van het kabinet van de provincie, dhr. Kruse, is er in de periode van april en mei begrip voor de zorgen van de burgemeesters uit Brabant. Al hoewel men het betreurde als een burgemeester ontslag nam, kon men er wel begrip voor opbrengen.
Kennelijk heeft burgemeester Verheijen het in het voorjaar van 1944 nog niet bezwaarlijk gevonden, dat er herstelwerkzaamheden op het vliegveld werden uitgevoerd door mensen uit Erp. Dit kan mede ingegeven zijn door de discussie die op het hoogste ambtelijk niveau in Nederland gevoerd werd over het onderscheid tussen ‘préperations’ en ‘operations’ oftewel tussen voorbereidende werkzaamheden en deelname in het uitvoeren krijgshandelingen. Het eerste werd in die maanden nog toelaatbaar geacht[54].
Atlantikwall Zeeland
Naast de herstelwerkzaamheden op vliegveld Volkel speelde vanaf mei 1944 nog een ander Duitse vorderingsactie van arbeidskrachten, de zogenoemde ‘Gemeinde Einsatz’. In deze vorderingsactie werd door de Duitse machthebbers aan de gemeentebesturen een centrale functie toegedacht, vandaar de naam. Voor de verder aanleg van de zogeheten Atlantikwall, de verdedigingslinie langs de Nederlandse kust, moesten de diensten gevorderd worden van willekeurige mannen tussen de 18 en 45 jaar voor aanvankelijk een periode van twee weken -maar in mei 1944 werd dat vier weken. Per gemeente werd vastgesteld hoeveel arbeidskrachten er geleverd moesten worden. Voor dat werk zouden de mannen betaling krijgen, waarbij de gemeenten verplicht werden de uitbetaling te verzorgen.
Onderzoek door Marius Strijbosch naar jongens en mannen uit Erp, die in Zeeland gewerkt zouden kunnen hebben, heeft geen namen opgeleverd[55]. Dit gegeven voedt de bestaande veronderstelling dat burgemeester Verheijen voor de vrijstelling van tewerkstelling van Erpenaren in Zeeland mogelijk de bemiddeling heeft in geroepen van de NSB-burgemeester van Veghel, Dhr. Willem Sassen.
Herman Verheijen en Jan Coenraad Sassen: een geladen relatie
Herman Verheijen en Jan Coenraad Hubert Marie Wilhelmus Sassen (kortweg Wim Sassen) deelden op meerdere momenten in de tijd een verleden met elkaar. In hun jonge jaren kregen beiden een gedegen, van katholieke signatuur voorziene, opvoeding en volgden zij alle twee een handelsopleiding aan het onderwijsinstituut Rolduc in Kerkrade. Er heeft tussen hen echter nooit een vriendschappelijk relatie bestaan: ze kenden elkaar. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog zijn ze allebei actief binnen de Rooms-Katholieke Staatspartij. Sassen is gemeenteraadslid geweest in zijn woonplaats Geertruidenberg -zelfs locoburgemeester- en enige tijd lid van de Provinciale Staten in Noord-Brabant. Verheijen is ook lid van de Provinciale Staten geweest en van 1927 tot 1932 wethouder en locoburgemeester in de gemeente Dongen. Het kan bijna niet anders dan dat zij op regionaal niveau op tal van

maatschappelijke terreinen met elkaar te maken hebben gehad.
En die bestuurlijke kruising van wegen zien we in 1943 herhaald worden in een andere setting. Zoals hierboven beschreven werd Verheijen in 1936 burgemeester van de gemeente Erp.
Willem Sassen was een bewonderaar van Adolf Hitler en stapte van de RKSP over naar het fascistische Zwart Front, om zich in 1941 aan te sluiten bij de NSB. Hij ontpopte zich als een propagandist van de nationaalsocialistische ideeën. Daaraan zal hij vermoedelijk wel zijn benoeming tot burgemeester van Veghel op 23 augustus 1943 te danken hebben[56]. Amper een jaar later op de Dolle Dinsdag van 5 september 1944 vluchtte hij weg uit zijn gemeente.
Er zijn geen schriftelijke bewijsstukken te vinden voor contacten tussen deze twee burgemeesters[57]. En ook de twee afgenomen interviews geven geen enkel houvast omtrent het bestaan van een band tussen de twee heren.
Herman Verheijen

De getuigenverhoren voorafgaand aan de rechtszaak tegen de Veghelse NSB-burgemeester Sassen pakken opmerkelijk mild voor hem uit. Hoewel hij veel mensen uit het Veghelse verzet kende bleek hij achteraf niemand aan de Duitsers te hebben verraden. Ook zou hij mensen, die ondergedoken waren om aan het werken in Duitsland te ontkomen, goeddeels ongemoeid hebben gelaten. Ook zou hij zich niet bemoeid hebben met het doen en laten van de ambtenaren op de gemeentesecretarie[58].
Er zijn na de oorlog ook veronderstellingen geopperd, dat Sassen mogelijk een bemiddelende rol heeft gespeeld in de onderhandelingen met de Duitsers over het niet sturen van Erpenaren naar Zeeland. In ruil daarvoor zouden werknemers uit Erp dan bereid moeten zijn geweest tot tewerkstelling op vliegbasis Volkel!
Maar toch komt de veronderstelling, dat er door de Duitsers met bemiddeling van Sassen met burgemeester Verheijen is onderhandeld als niet waarschijnlijk over. Al vanaf 1942 werd Verheijen door de toenmalige Beauftragte voor Noord-Brabant als een weigerachtige burgemeester beschouwd[59].
Willem Sassen
Weigering tot verder medewerking
Het lijkt erop dat Herman Verheijen na april 1944 een andere afweging heeft gemaakt over het aanwijzen van arbeidskrachten voor het vliegveld Volkel. Over het waarom van zijn weigering zijn meerdere verklaringen mogelijk. In welke volgorde Verheijen daar stappen in heeft gezet is echter niet goed meer te achterhalen.
Mogelijk is van invloed geweest dat begin januari 1944 er door de burgemeester van Geldrop, Henri van der Put, een kringvergadering voor de burgemeesters in zijn directe omgeving is uitgeschreven[60]. Tijdens deze bijeenkomst besloten een aantal burgemeesters collectief niet mee te werken aan de al eerdergenoemde ‘Gemeinde Einsatz’. Zij waren fel tegenstander want het betekende: de Duitse oorlogsinspanningen een dienst bewijzen, waardoor de bevrijding van Nederland tegengewerkt zou worden en daarmee bovendien het leven van onze toekomstige bevrijders op het spel gezet zou worden.
Voor burgemeester Van der Put kwam de eerste daadwerkelijke oproep om arbeidskrachten voor Zeeland aan te wijzen in mei 1944. In juli zou Geldrop 30 mannen moeten leveren. Hij weigerde er uitvoering aan te geven. Daarop volgde er in juli een ‘Einsatz’-razzia, waarbij ook notabelen werden opgepakt. Van der Put meldde zich als vrijwilliger aan om in Zeeland te gaan werken. Waarom is niet duidelijk, maar deze groep mocht na drie dagen weer naar huis keren.
Het lijkt erop dat burgemeester Verheijen een voorbeeld aan Henri van der Put heeft genomen. Al is de exacte datum niet meer te achterhalen, toch is bekend dat hij enkele dagen voor zijn arrestatie samen met de Erpse bestuurder jonkheer De Kuyper vrijwillig als ‘einsatzarbeiter’ op ‘Fliegerhorst’ Volkel heeft gewerkt[61]. Was het in navolging van de burgemeester van Geldrop een openlijke daad van verzet? Wilde hij solidariteit betonen met de tewerkgestelden uit Erp? Of wilde hij met eigen ogen het belang en de betekenis van vliegveld Volkel vaststellen? De precieze antwoorden op deze vragen zijn niet meer te achterhalen.
Wat zeker ook een rol heeft gespeeld, is het feit dat op 6 juni 1944 de invasie van de geallieerden plaats vond. Een ommekeer leek op handen. Ook voor Brabant kwam het einde van de oorlog steeds dichterbij. Het meewerken aan het herstel van het ‘Duitse’ vliegveld Volkel betekende feitelijk het in levensgevaar brengen van de ´eigen´ oprukkende bevrijders. Daar lag de grens, dat mocht niet gebeuren!
Voor de Beauftragte /gevolmachtigde voor Brabant Sellmer was de maat vol. Op 7 juli 1944 ontbood hij alle weigerachtige burgemeesters bij zich. Burgemeester Verheijen was om onduidelijke reden afwezig. Sellmer eiste onomwonden dat zij de gevraagde arbeidskrachten leverden.
De zeven burgemeesters, die weigerden, respectievelijk Van der Put uit Geldrop, Veeneman uit Son en Breugel, Serraris uit Heeze, Magnee uit Bergeijk en Luykgestel, Manders uit Leende en Wijtvliet uit Bakel en Milheeze werden gearresteerd en afgevoerd naar Mariënhof, een voormalig pensionaat in Vught, waar de Sicherheitsdienst een eigen gevangenis en verhoorkamer had. Via Sachsenhausen zijn zij later onder meer in concentratiekamp Buchenwald terecht gekomen.
Een kleine maand later, 21 augustus 1944, werd Herman Verheijen alsnog gearresteerd. Hij weigerde op 15 augustus na het bombarderen door de geallieerden van Vliegveld Volkel inwoners van Erp aan te wijzen die er herstelwerkzaamheden zouden moeten gaan verrichten.
De Arrestatie van Herman Verheijen
Een eenheid van de Duitse SicherheitsDienst (SD) vertrok op de ochtend van 21 augustus uit ‘s Hertogenbosch naar de gemeente Erp. De arrestatieploeg heeft mogelijk bestaan uit een Duitse SD’er, een NSB’er en een Nederlandse politieagent, dhr. Kerkhoven uit Gemert, volgens dochter Maike Verheijen[62]. De eenheid kondigde vooraf haar komst aan bij de politie van Erp. Op dat moment waren op het politiebureau: postcommandant De Jong en marechaussee Ellenbroek. Deze twee hadden over en weer een zeker wantrouwen naar elkaar. De marechaussee verliet met een smoes het bureau en haastte zich naar de ambtswoning van de burgemeester. Hij gaf aan dochter Maike en dienstbode Leentje Munsters de waarschuwing dat de arrestatieploeg onderweg was. En haastte zich weer terug naar de politiepost. Politieman De Jong blijkt achteraf vanaf het bureau de burgemeester zelf ook gewaarschuwd te hebben. Voor de Duitsers zich op de politiepost Erp meldden, waren ze al naar het gemeentehuis geweest, om dat men gedacht had hem daar zeker aan te treffen.
Uiteindelijk is Verheijen thuis in de ambtswoning aangehouden. Hij had zijn arrestatie wel voorzien. Die ochtend van de 21 augustus heeft hij nog zijn ambtenaar Adriaan Heykants naar de gemeente Lieshout gestuurd om navraag te doen over hoe hun burgemeester dacht te gaan reageren op het dreigement, omdat hij dezelfde weigerachtige houding had aangenomen. Voor Heykants met het antwoord terug in Erp was, had men Burgemeester Verheijen al gearresteerd.
In het vooruitzicht van zijn arrestatie had hij zijn pleegkind Trees van Dam met haar vriendinnetjes op die bewuste 21 augustus laten trakteren op een dagje uit naar een speelgelegenheid in een ander dorp. Bij haar terugkeer na een heerlijk dagje weg, bleek ‘Opa’ Verheijen al weg te zijn.
Jan Burgers heeft in zijn boek Burgemeester in Oorlogstijd opgetekend, dat de Duitsers achterom, door de keuken, het huis binnendrongen en overal door het huis liepen om Herman Verheijen te zoeken. Burgemeester Verheien stond uit zijn zorgstoel en gaf zich over. Het laatste wat hij gezegd zou hebben is: ‘Maike, zorg jij voor de kinderen!’ om daar nog aan toe te voegen: ’Nooit krijgt een Duitser mij kapot, het is ook niet mijn wil, maar denk er om het is Gods Wil!’
Verheijen werd op 21 augustus 1944 vastgezet in Konzentrationdlager Herzogenbosch, Kamp Vught, blok 19. Zijn inschrijvingsnummer daar, was Sch 10892. Op zijn kampkaart staat nog vermeld: ziek geweest. Maike Verheijen schijnt hem elke dag een brief geschreven te hebben, maar heeft nooit antwoord teruggekregen. Vrijwel direct na de arrestatie van de burgemeester schijnt er zich een NSB’er bij huize Verheijen gemeld, die onmiddellijk zijn intrek in wilde nemen. Dochter Maike, vrouw des huizes, wees hem resoluut de deur met de woorden: ‘U bent nog helemaal geen burgemeester!’[63].
Weigering van Herman Verheijen om onder te duiken
De ondergrondse van Erp heeft via dochter Maike Verheijen aan de burgemeester het voorstel gedaan om onder te duiken[64]. Volgens de ene bron enkele dagen voor zijn arrestatie; volgens een andere bron al enkele weken daarvoor[65]. Hoe dan ook, lag er een plan klaar om hem dan onder te brengen in het Franciscanessenklooster in Dongen, bij zijn daar ingetreden dochter Marie Antoinette[66]. Verheijen heeft het aanbod om principiële redenen afgewezen. Hij wilde nadrukkelijk de volle verantwoordelijkheid voor en de gevolgen van zijn besluit dragen. Als verklaring voor deze opstelling heeft hij zelf aangegeven, hij zich bewust was van het gevaar, dat de Duitsers, dan een ander vooraanstaande bestuurder van Erp zou arresteren. Dat was al vaker gebeurd. Hij wilde zijn gemeentesecretaris J. Sleegers, vader van een gezin van dertien kinderen, niet in gevaar brengen. Dat kon hij niet voor zichzelf verantwoorden. Maar er zijn nog meer verklaringen, niet door hemzelf uitgesproken, waarop later terug gekomen zal worden.
Een andere kant van Herman Verheijen
Om nog een heel andere kant van burgemeester Herman Verheijen te leren kennen moeten we een sprong terug in de tijd doen, naar het moment waarop hij zijn burgemeesterspost in Erp aanvaardde. Niet alle kinderen zijn vanuit Utrecht naar Erp meeverhuisd. Een aantal zijn dan al uitgevlogen en op zichzelf gaan wonen. Zoon Wim en dochter Anne waren allebei verbonden aan de Utrechtse kartonnagefabriek Miedema. Zoon Cees studeerde in Utrecht en heeft zich op juli 1942 in de Hoofdstraat op nummer 60 in Veghel gevestigd met een advocatenkantoor. Zoon Jan op kamers in Tilburg, kon vanwege de oorlog niet aan zijn studie beginnen. Hij woonde op het moment dat hij aangesteld werd tot chef uitreiking bij distributiekring Sint Oedenrode op 17 april 1942 nog bij zijn ouders[67]. Onduidelijk is evenwel of hij chef uitreiking was in Erp of in Veghel[68]. Vanaf 13 november 1942 stond hij ingeschreven in Veghel op het adres Heuvelstraat A 173. Dochter Marie Antoinette was eerder ingetreden in het Franciscanessenklooster in Dongen
Dus feitelijk zijn alleen Maike, (Ca)Toke en Frans met vader en moeder Verheijen meeverhuisd naar Erp. Van Frans weten dat hij vanaf 29 september 1941 een woon- of logeeradres in Utrecht heeft, n.l. de Everhard Meijsterlaan 28[69].
Herman Verheijen heeft in zijn hart een bijzonder warm plekje voor hulpbehoevende kinderen gehad te hebben. Zoals alle voorgaande jaren heeft hij ook in maart 1940 een brief aan de pastoors van Erp, Keldonk en Boerdonk geschreven om hun medewerking te vragen voor de paasei-actie. Deze actie is opgezet om geld te bijeen te brengen voor de uitzending van kinderen uit het dorp met een zwakke problematische gezondheid. Een collecte voor een goed doel[70]. De uitzending kinderen met een zwakke gezondheid verliep al jaar en dag via het Nederlands Rooms Katholiek Huisvestingscomité, gevestigd in ’s Hertogenbosch. Twaalf kinderen hadden op deze manier in 1939 drie weken kunnen verblijven in de R.K. Gezondheidskolonie ‘St. Jacobus’ te Eersel. Ook de dochters Maike en Toke hebben zich bij deze actie ingezet[71].
Aan een ander initiatief, dat omstreeks half juni 1940, van Duitse zijde, het zogeheten ‘Kinderaktion Niederlande Ostmark’, waarbij Nederlandse kinderen in de ouderdom van acht tot veertien jaar voor drie maanden in kinderherstellingsoorden in Duitsland ondergebracht zouden kunnen worden. Hieraan werd door de bevolking en het bestuur van Erp, botweg niet meegewerkt. Burgemeester Verheijen merkte in een begeleidend schrijven aan dit departement op, dat Erp een boerenbevolking kende en gelegen was in een gezonde bosrijke omgeving. Kortom in Erp had men geen enkele behoefte aan een dergelijke uitzending van kinderen[72].
Aan een soortgelijk Nederlands initiatief, maar dan gericht op de opvang van kinderen in de gemeente Erp gaf Verheijen wel zijn volledige medewerking zoals uit de volgende brief van 22 november 1941 aan het R.K. Huisvestingscomité te ‘s Hertogenbosch mag blijken[73]:
‘Ingesloten heb ik de eer U te doen toekomen lijsten van personen in deze gemeente waar Rotterdamse kinderen geplaatst kunnen worden. Beleefd verzoek ik U wel rekening te willen houden met geslacht en leeftijd van de kinderen, omdat aanvragers daar zeer opgesteld zijn.’
Kennelijk was er een misverstand ontstaan tussen het huisvestingscomité en de gemeente Erp, want in een eerder schrijven heeft het de directeur van het comité gemeld[74]:
‘Geachte heer Burgemeester, het is de bedoeling dat u van ons een lijst ontvangt met namen en adressen van de kinderen, welke geplaatst moeten worden. U neemt van deze lijst over, die kinderen welke te Erp kunnen worden ondergebracht en zend ons hiervan een opgave, zodoende dat er van overblijvende kinderen geen sprake kan zijn. …Meneer pastoor heeft reeds een schoolgaand meisjes van zes à zeven jaar aangevraagd. ´
De briewisseling duidt erop, dat ondanks alle zorgvuldigheid, het al eens eerder lijkt te zijn gebeurd, dat niet alle kinderen zijn opgehaald bij het verdeelcentrum, dat voor dat doel tijdelijk in de Brabanthallen (de veemarktplaats) was gevestigd. Zo bleef bijvoorbeeld het vijfjarige meisje Treesje van Dam uit Rotterdam als enige aan het eind van de dag over. Haar zusje Hanneke was wel door een pleeggezin uit Den Bosch opgehaald. Waarschijnlijk heeft burgemeester Verheijen uit het omvangrijke netwerk, dat hij bezat een signaal gekregen, dat er één kind was overgebleven. Hij heeft toen zijn twee oudste dochters op pad gestuurd om Treesje op te halen en haar in zijn eigen gezin opgevangen[75].
Toos met Trees
Er is enige verwarring over het moment waarop Treesje vanuit Rotterdam naar ´s Hertogenbosch is uitgezonden. In het archief van het Centraal Evacuatiebureau Rotterdam, afdeling bureau kinderuitzending zijn twee lijsten terug te vinden van uitgezonden kinderen. Op een handgeschreven overzichtslijst met de kop ‘Vertrokken groepen of kinderen apart’ staat vermeld:’22 /7, lijst 47, bestemming Den Bosch, aantal 172’. Door een slordigheid op de lijst is er geen duidelijkheid over het jaartal. Gelukkig wordt dat opgelost door een tweede uitgetypte lijst met de kop ‘Uitgezonden groepen’ uit hetzelfde dossier staat: ’onder vervolg juli 1940, datum 22, bestemming ’s Hertogenbosch, aantal 172’[76].
Concluderend kan gesteld worden dat Treesje van Dam vanaf 22 juli 1940, dus niet lang na het bombardement van Rotterdam, liefdevol is opgenomen in het gezin Verheijen. Voor Trees waren belangrijkste figuren Maike en Cato. Vanwege het leeftijdsverschil noemde zij hen haar tantes. Maike was met de komst van Trees al 24 jaar en Cato (Toke) 19 jaar. Vader en moeder Verheijen zag ze al haar nieuwe opa en oma[77]. In haar beeld van Opa Verheijen komen twee kernwoorden naar voren, streng en rechtvaardig. Bij Oma Verheijen en dochter Maike komen we naast het streng zijn, vooral ook de begrippen lief en liefdevol tegen. In Erp is zij onder de oorlog naar het kleuterschooltje bij de nonnen geweest. In het dorp kreeg ze een vriendinnetje, Betsie, het jongere zusje van Leentje Munsters, die dienstbode was in huize Verheijen.
Het Gezin Verheijen in de Tweede Wereldoorlog
Uit het verhaal over de opvang van Treesje van Dam is al duidelijk geworden dat het merendeel van de kinderen Verheijen al de volwassen zijn. Ze blijken allemaal actief bij het dorpsleven betrokken te zijn geweest. Ieder voor zich heeft onder de oorlog zijn/haar maatschappelijke verantwoordelijkheid genomen. Vermoedelijk zijn ze daartoe gestimuleerd door vader.
Gezin Verheijen
Herman Verheijen was als burgemeester het hoofd van de luchtbeschermingsdienst (LBD)[78]. Daar maakte ook dochter Cato (Toke), in 1940 20 jaar oud, deel vanuit. Ze was ingedeeld bij de geneeskundige dienst, die onder leiding stond van de dorpsarts Henrar. Met nog twee anderen bemande zij de Eerste Hulppost in het klooster in het dorpscentrum. Toke had echter nog een tweede functie. Zij stond ook ingeschreven bij de Distributiedienst Kring Sint Oedenrode voor het agentschap Erp. Dit agentschap was gevestigd in het café van Christ van Veghel op het Schansoord, het latere café van Piet Verkuijlen[79]. Mogelijk is dat dezelfde locatie, die door Antoon Verbakel is aangegeven: een kantoortje (kamertje) in het pand gelegen rechts van het gemeentehuis[80].
De andere dochter Margaretha (Maike), dan 24 jaar, was met een groot aantal andere jonge vrouwen uit Erp ingedeeld bij de Radioluisterdienst. Alle LBD’ers beschikten naast een aanstellingsbewijs over legitimatiepapieren, waarop hun naam, adres, functie als ook hun persoonsbewijsnummer stond ingevuld.
Maike Verheijen (collectie Eric Veheijen )
Het is opmerkelijk dat binnen dit LBD-archief ook een adreskaartje van de jongste zoon, Frans Verheijen, is aangetroffen: Utrecht, de Everard Meijsterlaan 28. Als tijdelijk adres voor de gemeente Erp staat vermeld: Erp B 77.
Op twee weliswaar ongedateerde huisnummerlijsten van Erp in de collectie van Heemkundekring Erthepe komt het genoemde adres voor[81]. Op een lijst uit de jaren ’30 staat bij oud-nummer B77 de fietsenmaker J. van Schaijk vermeld met huis en werkplaats. Op de nieuwere lijst, van vlak na de oorlog, staat op het nieuwe nummer B77 de heer J.C. Maasakkers ingeschreven, met de vermelding gemeenteontvanger. Van Maasakker is pas na zijn huwelijk met Johanna Maria van Lieshout uit Erp in 1943 in Erp komen wonen. In zijn huwelijksakte staat te lezen, dat Johannes Cornelis van Maasakker, afkomstig uit Nuenen, dan 30 jaar oud, controleur is bij de Centrale Controledienst[82]. Deze instelling was in het leven geroepen om onder de oorlog de wijdverbreide zwarthandel te bestrijden. Bekend is dat sommige controleurs ook illegaalwerk deden. En bijvoorbeeld in het geheim de illegale voedselbevoorrading van verzetsgroepen mogelijk maakten. Ter vergelijking in Dongen was ook een controleur van de Centrale Controle Dienst werkzaam, die bij nader onderzoek een medewerker bleek te zijn van de Nederlandse Geheime Inlichtingendienst. Het opent de mogelijkheid tot de veronderstelling, dat Frans een geheim contact voor vader was met de Nederlandse inlichtingendienst. Als hoofd van de gemeente hield Herman Verheijen ook streng toezicht op zwart handel en overtredingen op de wet prijsbeheersing. Hij ondertekende in de periode 1942-1944 eigenhandig de maandrapporten opgesteld door de veldwachter en toegezonden aan de commissaris van de koningin[83]. Uit dien hoofde zou hij dan formeel ook regelmatig contact dan wel overleg met Van Maasakker kunnen hebben gehad[84]. Kortom er heeft waarschijnlijk ook direct contact bestaan tussen Maasakkers en Verheijen. Of Frans op dit adres ook een functie binnen de LBD heeft vervuld is niet te achterhalen.

Van een andere zoon, Jan Verheijen, is een foto, die hem toont in militair tenue tijdens als dienstplichtige. Gezien zijn geboortejaar, heeft hij zijn diensttijd vermoedelijk vervuld in 1937 of 1938[85].
In 1940 wilde hij gaan studeren aan de R.K. Handelsschool in Tilburg. Maar met de Duitse bezetting van Nederland kon dat niet doorgaan. Hij is één van de vele Brabantse studenten, die geweigerd hebben om de door de Duitsers geëiste loyaliteitsverklaring te ondertekenen. Samen met anderen heeft hij daarvoor enkele dagen in Kamp Vught vastgezeten[86]. In 1942 vinden we Jan terug in Sint-Oedenrode. Hij was daar vanaf 7 april werkzaam als ambtenaar voor de Distributie Dienst Kring Sint Oedenrode. Zijn standplaats werd Veghel[87]. Vermoedelijk heeft aan het begin van de oorlog nog bij zijn ouders in Erp gewoond. Maar vond dus al gauw huisvesting in Veghel, Heuvelstraat A 173[88].
Jan Verheijen (collectie Eric Verheijen)
Hij pendelde regelmatig van Veghel naar Erp om daar voor het distributieagentschap waar dus zijn zus Cato werkte, de nodige distributiekaarten en bescheiden af te leveren. Jan groeide onder de oorlog naar een andere functie binnen de organisatie van de distributiedienst. Zijn bevordering had alles te maken met de omstandigheid dat met het voortschrijden van de oorlog voedsel- en grondstoftekorten dreigden te ontstaan, wat weer leidde tot ongeoorloofde prijsopdrijving en zwart handel. Middels een verklaring van het departement van handel, nijverheid en scheepvaart uitgevaardigd op 13 november 1943 werd Jan benoemd tot opsporingsambtenaar voor het werkgebied van het distributiekantoor St. Oedenrode.

Zijn nieuwe functie was er opgericht om delicten op te sporen, die in strijd waren met de prijsopdrijvings- en hamsterwet van 1939 en het economisch sanctiebesluit 1941[89]. Feitelijk kunnen we hier vaststellen, dat het werkterrein van burgemeester Verheijen en dat van zijn zoon Jan elkaar hier raakten. Pleegkind Treesje van Dam weet zich nog te herinneren, dat zoon Jan regelmatig, bijna wekelijks, aan huis op Brug 71 op bezoek kwam en dan in druk overleg ging met zijn vader, maar nooit bleef eten[90]. Hoewel het beperkt moet blijven tot een vermoeden, heeft het er alle schijn van dat vader en zoon onder de oorlog geheime informatie deelden over het reilen en zeilen in Erp en omgeving. Zo begint toch langzamerhand een beeld te ontstaan dat Herman Verheijen via allerlei formele en informele kanalen op de hoogte was van wat er zich in de Gemeente Erp achter de schermen afspeelde.
Jan Verheijen (collectie Eric Verheijen)
De ‘verzetsrol’ van Jan is pas vele jaren na de oorlog is uit een persoonlijk oorlogsverslag van een joodse onderduiker in Veghel, Dhr. In ’t Groen, bij de nakomelingen van Herman Verheijen bekend geworden. Deze onderduiker heeft aangegeven, dat hij dankzij de hulp van Jan, die hem met grote regelmaat distributiebonnen wist toe te stoppen, de oorlog in Veghel heeft overleefd. Jan heeft dus schijnbaar, net als anderen van het agentschap Veghel, wanneer zich de gelegenheid voor deed, distributiebonnen en bescheiden achterovergedrukt. We komen er nog op terug[91]!
Inmiddels is duidelijk dat Jan wel wat meer risico durfde te nemen. Los van het al eerdergenoemde Erpse Pyamahuis, is gebleken, dat hij tijdens de Duitse bezetting hulp heeft geboden aan een piloot, vermoedelijk de Schot James Jaffrey Walker, die in de buurt van Veghel en Erp gestrand was. Jan heeft hem bij toeval in die omgeving ontdekt. De piloot, die bij god niet wist waar hij heen moest, is toen door Jan voor één nacht, buiten medeweten van burgemeester Verheijen, in het schuurtje in de tuin achter de burgemeesterswoning verstopt[92]. De piloot is door Jan, die zijn contacten met het verzet wel gehad zal hebben, overgedragen en is terug naar Engeland kunnen vluchten[93].

Naast Jan Verheijen blijken ook de zusjes Maria (Rie) Antoinette en Idelphonse (Iel)Dorée Maria Nielen op het agentschap Veghel, van het distributiekantoor Sint-Oedenrode gewerkt te hebben. De dames Nielen zijn beiden geboren in Veghel, respectievelijk 26-08-1919 en 15-12-1925. Het zijn de dochters van Johannes Leopold Maria Nielen, chef van de afdeling onderwijs en financiën bij de gemeente Veghel. Maria werkte er als subkassier en Idelphonse als uitvoerend ambtenaar. Tussen Jan Verheijen en Maria Nielen ontstond naast de formele werkrelatie ook een liefdesrelatie, die na de oorlog heeft geleid tot een huwelijk. Zus Idelphonse heeft onder de oorlog een bijzondere rol gespeeld in een Veghels politiek en bestuurlijk steekspel. In het voorjaar van 1943 werd, zoals we al eerder gezien hebben, NSB’er J.C.H.M.W. (Willem) Sassen onder druk van de Duitsers benoemd tot burgemeester van Veghel. Sassen maakte er al snel werk van om betrouwbare politiek medestanders in het gemeentelijke apparaat te benoemen. Zo had hij het voornemen om Mej. P.M. (Petronella Maria) Weijmans, die vanaf april 1944 lid was van de Nationaalsocialistische Beweging en regelmatig gezien werd in het gezelschap van Duitse soldaten, te benoemen op de afdeling bevolking[94]. Door het gezamenlijk optreden van de Veghelse gemeentesecretaris Verhoeven en hoofdambtenaar Johannes Nielen is destijds deze benoeming op een afdeling, waar uiterst gevoelig informatie over de inwoners van Veghel beheerd werd – onder meer persoonsbewijzen-, voorkomen. Het plan was om de dochter van Nielen, Ildephonse, op die plek benoemd te krijgen voor de plaatsing de NSB-kandidate op 1 april 1944 een feit zou kunnen worden.
Rie Nielen (collectie Eric Verheijen)

Wonderlijk genoeg lukte het met instemming van Willen Sassen zelf om haar op 21 maart 1944 bij de afdeling bevolking benoemd te krijgen. Sassen vroeg zijn collega burgemeester van Sint-Oedenrode in te stemmen met deze overstap, die daar positief op reageerde. Ildephonse diende
Johannes Nielen (collectie Eric Verheijen)
Op 25 januari 1944 bij het hoofd van de Distributiekring Sint Oedenrode het verzoek tot een eervol ontslag uit haar betrekking bij Distributiekring, agentschap Veghel, wegens haar benoeming bij de gemeente Veghel. Nog geen drie weken later ging zij aan de slag. De NSB-kandidate kreeg uiteindelijke een plek op de minder gevaarlijke afdeling financiën[95].
De opstelling van Jan en zijn toekomstige schoonfamilie onderstreept nogmaals de proactieve verzetshouding van de directe familie en kennissenkring rondom burgemeester Verheijen.
Een nog overtuigender bewijs van moed, betrouwbaarheid en loyaliteit van de families Verheijen en Nielen mag blijken uit het volgende voorval onder de oorlog. Op 13 februari 1944 is aan Joannes Verheijen, inmiddels benoemd tot opsporingsambtenaar, de opdracht verstrekt om de brand te onderzoeken, die in de vroege morgen van 12 februari 1944 is uitgebroken bij de distributiedienst in Veghel, in de kantoorruimte van de agent en kassier waardemateriaal. Daarbij is een kast met inhoud geheel verloren gegaan. Jan blijkt dus van hogerhand te zijn aangesteld om de brand in zijn eigen agentschap, en in zijn eigen kantoorruimte, te onderzoeken.
Uit het door Jan opgemaakte rapport blijkt dat hij zijn kamergenote Mej. Maria (Rie) Antoinette Nielen heeft gehoord. Zij heeft hem een opsomming gegeven van wat naar haar mening in de kast opgeslagen lag. Jan heeft uit zijn eigen geheugen de 22 items tellende lijst van waardepapieren etc. aangevuld. Naast distributie stamkaarten betreft het allerlei soorten bonkaarten voor brood, vlees, boter, melk, aardappelen, textiel etc[96].
In aanvulling op het bovenstaande gaat binnen de familie Nielen tot op de dag van vandaag nog steeds het volgende verhaal rond. Kort na de brand in de kast van het distributiekantoor hebben de Duitsers een inval gedaan bij het gezin Nielen op Zuidkade 22 in Veghel[97]. Men vertrouwde de zaak kennelijk niet helemaal.
De bonnen en andere waardepapieren lagen open bloot op de tafel in de woonkamer. Door snel te handelen, de Duitsers kwamen achterom door de keuken binnen vallen, en hun inval te vertragen doordat moeder Nielen hen verplichtte hun laarzen uit te doen, was er tijd om een tafelkleed over alles heen te gooien en het dienblad voor de koffie erop te plaatsen, zodat alles aan het zicht werd onttrokken. Als of er niet aan de hand was, werd er met de binnengevallen Duitsers koffiegedronken[98]. Moeder Maria Nielen heeft tegenover de kinderen bevestigd, dat de brand in het kantoor was ontstaan nadat de waardepapieren eruit gehaald waren. Bijna zeker een gezamenlijke actie van Jan Verheijen en Rie Nielen, met medeweten van Vader Nielen. Is het onlogisch om te veronderstellen, dat Jan Verheijen mogelijk ook aan het verzet/ de ondergrondse van Erp distributiebescheiden en bonkaarten heeft afgestaan? Hoewel er geen bevestiging voor is te vinden, zou Jan tijdens de oorlog korte tijd gearresteerd zijn geweest op vermoeden van ondergrondse hulpverlening[99].

Het lijkt erop dat ook Cees Verheijen direct, dan wel indirect bij het verzet van de gemeente Erp betrokken is geweest. Na zijn rechtenstudie in Utrecht vestigde hij zich na zijn trouwen in 1942 in de gemeente Veghel. Foto 23 Hij is daar een advocatenkantoor begonnen. In de maanden mei of juni 1944 hield hij met vrouw en kinderen een korte vakantie. Aan zus Maike, die in Erp na de dood van moeder het huishouden van de burgemeester bestierde, heeft hij gevraagd of haar dienstbode Leentje Munsters in die periode ook zijn huis en praktijk zou kunnen schoonhouden. Maike heeft dat goed gevonden. Tijdens het opruimen van het kantoor viel het oog van Leentje op een stapel paperassen, die op het bureau lag. Toen zij op meerdere brieven de naam Herman Verheijen zag staan werd haar aandacht nog meer getrokken. Uiteraard heeft zij dit bij Maike gemeld. Samen zijn ze teruggegaan naar het kantoor. Doortastend als Maike was heeft ze alle papieren mee naar huis genomen en heeft ze overgetypt. Om het in de eigen woorden van Maike te zeggen, bleek Cees bezig te zijn belastende verklaringen over vaders bijeen te brengen, waaruit zou blijken, dat:
Cees Verheijen (collectie Eric Verheijen)
´Vader zou feindfröhlich zijn, pro-Duits, vader ontving Duitsers, vader gaf
Geld aan Duitsers, en weet ik wat allemaal nog meer!’
Maike sprak in het interview uit, dat zij het vermoeden had dat Cees het verzet ertoe wilde aanzetten om vader Herman Verheijen tot opstappen te dwingen. Daarmee zou dan voor hem de weg vrij kunnen komen om zelf burgemeester van Erp te worden[100].
Maike heeft in die zomermaanden van 1944 stappen ondernomen in de richting van de commissaris van de koningin in Brabant, Van Rijckevorsel. Door het regelmatige contact van vader met Van Rijckevorsel, kende ook Maike hem goed. De commissaris stelde Maike gerust met de mededeling dan men op provinciaal niveau al langer op de hoogte was van de frauduleuze en onfrisse praktijken van Cees. Hij beloofde er persoonlijk op toezien dat hem een halt werd toegeroepen. Op enig moment is er tegen Cees een proces aangespannen en is hij zijn procureurschap kwijtgeraakt.
De relatie tussen het verzet in Erp en burgemeester Verheijen
In het huis van de familie Otten in Erp werd de hulplijn voor gestrande piloten, bedreigde joodse burgers en lokale onderduikers georganiseerd. Tegelijkertijd was het de locatie waar de ondergrondse, een afdeling van de Landelijke Organisatie voor Onderduikers (L.O.) uit de regio wekelijks in overleg bij elkaar kwamen.
Huis Otten in de Ottenstraat te Erp, voorheen Schoolstraat)
De belangrijkste taak van de regionale leiders uit Boekel, Beek en Donk, Veghel, Gemert, Uden, Zeeland en Erp was het zoeken van onderduikadressen en het bijeenbrengen en verdelen van voedselbonnen. De meeste onderduikers uit Erp, zo’n 200, waren mannen, die aan de Arbeitseinsatz probeerden te ontkomen[101]. De grote voorman van het de hulplijn, de ondergrondse en de lokale Orde Dienst was Harrie Otten.
Midden Harrie Otten
De gegevens van de onderduikers in Erp zijn bewaard gebleven in het Provinciaal Archief (BHIC)in de Collectie Otten
In deze door de Duitsers beheerste oorlogssituatie kwamen Harrie Otten en burgemeester Herman Verheijen ongewild tegenover elkaar te staan, ieder vanuit hun eigen verantwoordelijkheid. Verheijen heeft zich in het voorjaar van 1944 gedwongen gevoeld aanwijzingen van de eigen inwoners voor de arbeitseinsatz op vliegveld Volkel te ondertekenen. Vanaf juli 1944 weigerde hij dit nog langer te doen.
Vanaf het voorjaar van 1944 gingen steeds meer mannen uit Erp en omgeving -jong en ouder- zich aan deze vorm van arbeitseinsatz onttrekken door onder te duiken. Hierdoor kwam er een steeds grotere last op de schouders Harrie Otten en zijn familie te liggen. Ongevraagd en onbedoeld kwam de verantwoordelijkheid voor het onderduiken van soms vrienden, maar vooral bekenden bij hen te liggen. Niet vergeten mag worden dat elke ‘onderduik’ opnieuw spannend was. Altijd was er een risico aan verbonden. De kans verraden te worden speelde bij elk nieuw geval mee.
Voor de ondergrondse van Erp zal het besluit van Herman Verheijen om verder medewerking aan de tewerkstelling door de Duitsers te weigeren als een opluchting gevoeld hebben. Hoewel de tijdlijn niet meer heel nauwkeurig te reconstrueren is, lijkt het erop dat de ondergrondse aan de burgemeester na deze genoemde weigering een aanbod heeft gedaan om onder te duiken en zo te voorkomen, dat hij gearresteerd en afgevoerd zou worden.
Al binnen enkele dagen na de bevrijding in september 1944 moesten de achtergebleven leden van het gezin Verheijen in opdracht van de Ordedienst c.q. het Militair Gezag de ambtswoning verlaten. Er werden later soldaten van het Britse leger in ondergebracht. De kinderen Verheijen en pleegkind Treesje van Dam kregen tijdelijk onderdak bij de familie Muselaars, de postbode van Erp[102].
Arrestatie en transport naar concentratiekampen
Eric Verheijen heeft tussendoor wel eens opgemerkt, dat het transport van Herman Verheijen van uit Vught etc. allemaal steeds op de laatste dag heeft plaats gevonden.
Binnen het Arolsen archief over Herman Verheijen komt een kaart voor waarop door de kamparts zijn ziektegeschiedenis vermeld werd. Hij bleek op 24 februari 1945 in staat van uitputting te zijn opgenomen in het gebouw van zieke gevangen. Onderzoek toonde aan dat Herman toenemende hart- en bloedsomloop problemen ondervond. Ondanks alle goede zorg, zo schreef de Lagerarzt, verslechterde zijn gezondheidstoestand. En eindigde tenslotte met het intreden van de dood op 12 maart 1945 uit de ziekboeg is ontslagen. Vermoedelijk wordt hier bedoeld, dat op 12 maart 1945 om 20.00 uur is gestorven aan wat dan door de kamparts van Buchenwald aangeduid werd als ’Herz-Altrschwache’. In de eindraportage van het kamp door de commandant van het kamp lezen we over Herman, dat hij 1 meter 74 groot was, zijn gewicht niet ingevuld, wel dat hij witte haren had en maar liefst vier talen sprak: Nederlands, Frans, Duits en Engels. Hij werd op 21-8-1944 in Erp gearresteerd, op 21-8-1944 in kamp Vught ingesloten. Op 8 september 1944 naar concentratiekamp Sachsenhausen gestuurd en op 6 februari 1945 op transport gezet naar Konzentrationlager Buchenwald. Dit laatste transport wordt ook bevestigd in het boek van Jan Burgers[103]. In Buchenwald volgden urenlange appels in de kou buiten, nauwelijks gekleed en sterk vermagerd door te weinig voedsel. Herman raakte uitgeput, raakte aan de diaree, die overging in dysenterie. In de nacht van 12 op 23 maart is hij gestorven. In een brief aan de familie heeft kampgenoot Karel van Kouten de laatste momenten van Hermans leven beschreven[104].
Een nieuwe burgemeester en gemeenteraad
Onder het voorlopig burgemeesterschap van gemeentesecretaris Johannes Sleegers werd er gewerkt aan het samenstellen van een nieuwe tijdelijke gemeenteraad. De verkiezing daarvan werd overgelaten aan de leden van een aangewezen kiescollege. De aanbevolen personen zouden allen voldoen aan de voor het lidmaatschap gestelde eisen en zij werden geacht het vertrouwen van de bevolking tijdens de vijandelijke bezetting te hebben behouden of verkregen[105]. Henricus Johannes Otten, de verzetsman, werd gevraagd zitting te nemen in dit college. Later is hij deel uitgaan maken van de tijdelijke gemeenteraad[106]. Op deze manier heeft een rol gekregen in de zuiveringscommisie van de gemeente Erp.
Bij gebrek aan verdere lokale archieven over het zuiveringsproces in de gemeente Erp kunnen we niet letterlijk achterhalen wat nu precies het verwijt is dat burgemeester Verheijen werd gemaakt over zijn rol en gedrag tijdens de tweede wereldoorlog in de gemeente Erp. Ongetwijfeld zal de groep naoorlogse tegenstanders, waaronder tal van clandestiene slachters en zwarthandelaren, bezwaren tegen Herman Verheijen hebben geopperd en zich laatdunkend over hem hebben uitgelaten[107]. Uit wat er al wel overgeschreven is, lijkt zijn late beslissing om voortaan te weigeren de aanwijzingen te ondertekenen, het allerbelangrijkste te zijn. En naar het lijkt kwam dat verwijt vooral van de ondergrondse, die geleid werd door Harrie Otten. Die na de oorlog in de gemeente als een held gevierd werd. Veel ruimte voor een tegengeluid zal er in die dagen niet geweest zijn. Na de oorlog was er vanuit de Nederlandse verzetsbeweging de algemene tendens om burgemeesters en bestuurders, die tijdens de bezetting in functie waren gebleven steeds harder aan te vallen[108]. Maar ook de griffie van de staten van Noord-Brabant, bij monde van Vincent Cleerdin, gaf een soortgelijk geluid af[109]:
‘Omtrent de gehele streek is op te merken, dat én de gemeentelijke autoriteiten én de notabelen nimmer van enig behoorlijk voorbeeld van een flinke houding tegenover de bezetting hebben gegeven. …. Behalve door positieve daden hebben vooral de negatieve houdingen, het niet-handelen, daar waar dit geboden was, funest gewerkt. … Ons Inziens dient de bevolking te worden voorgelicht, omdat we bouwen aan een betere Nederlandse samenleving. Voorkomen moet worden dat voormalige slappelingen weer worden geroepen tot bestuursfuncties.
Rechtsherstel voor Herman Verheijen
Na de oorlog is er op grond van het Zuiveringsbesluit of besluit Rechtsherstel onderzoek gedaan naar de rol van burgemeesters tijdens de bezetting. Zo ook naar het functioneren van Herman Verheijen. Dit onderzoek viel min of meer samen met de brief, die zoon Cees Verheijen aan de commissaris van de koningin in Brabant heeft gericht[110]. In antwoord daarop door de afdeling Kabinet van de provincie, d.d. 10 december 1947, werd over het rechtsherstel ten behoeve van wijlen H. Verheijen, oud-burgemeester van Erp, opgemerkt:
‘De heer C.J. Verheijen heeft een verzoek ingediend betreffende het postuum verlenen van rechtsherstel aan wijlen zin vader H. Verheijen, oud-burgemeester der gemeente Erp.’
Het kabinet stelde verder, dat de burgemeester door de commissaris -generaal voor bestuur en justitie met ingang van 22 augustus 1944 zou zijn ontslagen. Bij wijze van rechtsherstel zou een schadeloosstelling zich moeten uitstrekken over het tijdvak van 22 augustus 1944 tot 24 september 1944.
In een nieuw schrijven van het eerdergenoemde kabinet, d.d. 29 januari 1948, kwam men op voorgaande mededeling terug:
‘…., dat noch uit het archief van het departement van Binnenlandse Zaken, noch ut het Provinciale archief of uit dat van de gemeente Erp blijkt, dat aan wijlen uw vader tijdens de bezetting als zodanig ontslag is verleend. Het aan dit ambt verbonden salaris is op normale wijze uitgekeerd aan de rechthebbende(n). …voor toepassing van de wet rechtsherstel overheidspersoneel 1946 in casu is geen aanleiding aanwezig. …mocht u niettemin stukken kunnen overleggen waaruit het ontslag wel blijkt, dan ben ik bereid alsnog een nieuw voorstel tot het postuum verlenen van rechtsherstel in behandeling te nemen.’
Cees Verheijen reageerde op 11 februari 1948 met het volgende schrijven:
‘Het is inderdaad zo dat wij nooit of te nimmer rechtsherstel voor mijn overleden vader hebben willen aanvragen, aan gezien de afwikkeling een normaal verloop heeft gehad. Wij werden er echter door uw griffie meerdere malen verzocht een desbetreffend formulier in te vullen. Dat is tenslotte gebeurd.’
Zoon Cees probeerde met de laatste opmerking te maskeren, dat hij -buiten de andere leden van het gezin om- geprobeerd heeft om een schadeloosstelling los te krijgen. Maar wat belangrijker is, is de vaststelling, dat burgemeester Herman Verheijen nooit is ontslagen en dat er ook nooit van overheidszijde onderzoek gedaan is naar zijn gedrag en houding tijden de bezettingsjaren.
In dat licht is het pijnlijk om te constateren de gemeente Erp zonder ruggespraak met de officiële overheidsinstantie op landelijke en provinciaal niveau elk verzoek van de nabestaanden van burgemeester Verheijen om eerherstel ongegrond heeft verklaard en afgewezen. Men heeft zijn oor naar het verzet laten hangen. Het zuiveringsperspectief – wie te lang was blijven zitten, was verdacht- bleef lange tijd de terugblik op het oorlogsburgemeesterschap domineren[111].
Ik ben ervan overtuigd, dat mijn onderzoek dubbel en dwars aantoont, dat Herman Verheijen altijd naar eer en geweten heeft gehandeld in het belang van de bevolking van de gemeente Erp en het omstreden besluit om inwoners ‘aan te wijzen’ voor arbeid op het Duitse vliegveld Volkel in overleg met zijn collega-burgemeesters tijdig heeft teruggedraaid. Op het cruciale moment heeft hij zijn rug gerecht, verder medewerking geweigerd en de consequenties van dat besluit ten volle aanvaard, in de wetenschap dat het hem zijn leven zou gaan kosten.
-
West Brabants Archief (WBA), Archief van de gemeente Roosendaal en Nispen, 1851-1916, bevolkingsregister 1900-1909, inv.nr. 1160, blad 65 ↑
-
Regionaal archief Tilburg (RAT), Archief van de gemeente Dongen, Archief toegang 0928, bevolkingsregister 1900-1909, inv.nr. 038, blad 2 ↑
-
RAT, Archief van de gemeente Dongen, Huwelijksregister Dongen 1907, aktenr. 28 ↑
-
RAT, Archief van de gemeente Dongen, Huwelijksregister Dongen 1914, aktenr. 4, zijn broer Johannes Verheijen trouwde met een andere dochter van Cornelis Bressers, n.l. Charlotte Marie Louisa ↑
-
WBA, archief Gemeente Bergen op zoom, Notariële Archieven, Notaris J.C.H. Perée, akte 419, aktedatum 06-09-1921 ↑
-
Nationaal Archief (NA), Delpher, kranten, Verheijen, Nieuwe Tilburgse Courant, 22-06-1932 ↑
-
NA, Delpher, kranten, Verheijen, Provinciale Noord-Brabantse en ’s Hertogenbosche Courant,22-06-1932 ↑
-
Hans Sprangers, Dongen in tijden van epidemieën, Heemtijdschrift De Wazerweijen, nummer 56, p. 30-51 ↑
-
RAT, Archief gemeente Dongen, bevolkingsregister Dongen, inv.nr. 058, blad 856, Gezinskaart 1920-1940, Verheijen ↑
-
UA, Bevolkingsregister Utrecht, aan auteur toegestuurde fotokopie van gezinskaart Herman Verheijen, 1932 ↑
-
BHIC, toegang 1085 Archief Commissaris van de Koningin Van Rijckevorsel van 1920 tot 1969, inventarisnummer 1141, Zuivering en rechtsherstel documentpagina 4: brief Dongense veldwachter Willem Haarbosch ↑
-
BHIC, toegang 1085, inv.nr. 261 betreft benoeming, ontslag, klachten tot ontslag geleid hebben en overlijden van burgemeesters, documentpagina 38 e.v. Gemeente Veghel 1920-1960 ↑
-
www.erthepe.nl , Archief WOII Antoon Verbakel, passim ↑
-
BHIC, toegang 1085, inv.nr. 261 betreft benoeming, ontslag, klachten tot ontslag geleid hebben en overlijden van burgemeesters, documentpagina 200 e.v. Gemeente Erp 1920-1960 ↑
-
Transcriptie interview met Maike Verheijen, de dochter van Herman, door haar neef Don Verheijen, 3 geluidscassettes, 29 november 2022 aan auteur ter hand gesteld ↑
-
BHIC, www.bhic.nl, Rubriek ‘Verhalen’, Rolf Vonk, diverse verhalen over de lokale betekenis van Herman Verheijen voor het dorp Erp ↑
-
BHIC, toegang 1085, inv.nr. 1374 Zuiveringscommissie Vliegenhart, 1945 e.v.: (In de bevraging en verdediging van Commissaris van de Koningin A. van Rijckevorsel komen al de dilemma’s naar voren, waar elke bestuurlijk bestuurslaag mee te maken en te dealen had. In dit kader beperk ik mij tot een weergave van mijn belangrijkste inzichten ↑
-
Peter Romijn, Burgemeesters in oorlogstijd, uitgeverij Balans Amsterdam, 2006; pp.133: Omwille van een optimale inschakeling van het inheems bestuursapparaat moest een bezettingsbestuur politiek terughoudendheid in acht nemen, juist om optimaal te kunnen profiteren van het intimiderende effect dat de Duitse superioriteit op de inheemse elite zou hebben, schreef in 1941 Werner Best een nationaalsocialist met ervaring in het bezettingsbestuur in Denemarken en Frankrijk ↑
-
BHIC, toegang 7689 Gemeentebestuur Erp 1930-1970, Inv.nr. 919 Mobilisatie 1929 – 1937, documentpagina 204 ↑
-
BHIC, toegang 7689 Archief gemeentebestuur Erp 1930-1970, inv. nr. 162 circulaires en uitvoeringsbescheiden voor de wederopbouw 1940-1945, documentpagina 277 e.v. ↑
-
www. Erthepe.nl, Archief WO 2 ERP Antoon Verbakel, passim, Rijkscommissaris Seyss-Inquart voerde via Verordening nr. 152 op 11 augustus 1941 het zo geheten leiderschapsbeginsel in: de taken van de raad en B&W werden voortaan enkel door de burgemeester waargenomen, waarbij hij zich door maximaal twee wethouders mocht laten assisteren. ↑
-
www.Erthepe.nl , Archief WO 2 ERP Antoon Verbakel, passim, Verheijen kwam net als alle andere burgemeester in deze periode voor de keus te staan: vertrekken of blijven. De burgervader van Erp koos voor aanblijven, om te voorkomen dat er in zijn gemeente een NSB-burgemeester zou worden aangesteld ↑
-
www.Erthepe.nl , Archief WO 2 ERP Antoon Verbakel, d.d. 30-10-1941 ↑
-
BHIC, toegang 7689 Gemeentebestuur Erp 1930-1970, inv. nr. 172 Verklaringen van Overlijden, documentpagina 116 ↑
-
BHIC, toegang 7689, Gemeentebestuur Erp 1930-1970, inv.nr. 596 personeelsdossier van burgemeester Verheijen, documentpagina 14 en 15 ↑
-
BHIC, Idem, documentpagina 20 en 21 ↑
-
BHIC, idem documentpagina 22 ↑
-
Transcriptie, Interview met dochter Margaretha (Maike) Verheijen en aanvulling door Eric Verheijen 2023 ↑
-
BHIC, toegang 7689 Archief gemeentebestuur Erp 1930-1970; inv.nr. 538, Stukken betreffende tewerkstelling van overheidspersoneel in Duitsland 1942-1946; Documentpagina dd. 10-10-1942 ↑
-
BHIC, toegang 7689 Archief gemeentebestuur Erp 1930-1970, Inv.nr. 538, Idem, documentpagina dd. 20-01-1943 ↑
-
BHIC, toegang 7689 Gemeentebestuur Erp 1930-1970, inv. Nr. 538 Idem, Documentpagina dd. 07-10-1943 ↑
-
B. A. Sijes, De Arbeidsinzet: de gedwongen arbeid van Nederlanders in Duitsland, 1940-1945, Sdu Uitgevers, 1990; pp. 60-82 ↑
-
B. A. Sijes, idem, Eind maart 1943 waren er circa 227.00 Nederlanders tewerkgesteld in het Derde Rijk. Begin januari 1944 was dit opgelopen tot ongeveer 275.000. In het laatste oorlogsjaar werden daar nog eens zo’n 120.000 landgenoten aan toegevoegd. ↑
-
WWW.Arolsen-archives.org, International Center on the Nazi Persecution, raadpleegbaar ↑
-
Antoon Verbakel, Jan Kerkhof, Marius Strijbosch, Erp gedurende WOII, een terugblik in herinnering, 2019, pp. 334 ↑
-
BHIC, toegang 7689 Gemeentebestuur Erp 1930-1970, inv.nr. 175 Inlichtingen over Inwoners Erp 1940 1943, documentpagina 27 ↑
-
Antoon Verbakel, Jan Kerkhof, Marius Strijbosch, Idem, 2019, p. 352, Fliegerhorst Volkel werd respectievelijk op 8 maart, 5 juli, 15 augustus, 3 september en 19 september 1944 gebombardeerd. ↑
-
Peter Romijn, 2006, inleiding, pp.11-16 ↑
-
BHIC, toegang 1085 Archief van Archief Commissaris van de Koningin Van Rijckevorsel van 1920 tot 1969, inv.nr 1141 Zuivering en Rechtsherstel, documentpagina 2, dd.:30 juni 1942 ↑
-
Wikipedia: N.V.D. = Nederlandse Volksdienst, juli 1941 opgericht, was bedoeld om het maatschappelijk werk in Nederland te nazificeren. De NVD was regionaal, per gemeente, georganiseerd onder één koepelorganisatie ↑
-
BHIC, toegang 7689 Gemeentebestuur van Erp 1930 – 1970, Inv.nr.146 Toezicht op het houden van optochten, plechtigheden, documentpagina’s 7, 11 & 14 ↑
-
BHIC, idem pp. 14, dd. 2 September 1942 ↑
-
Ook op dit gebied van sabotage en bewaking tegen sabotage kwamen Herman Verheijen als wettelijke gezagsdrager ongewild en onbedoeld te staan tegenover Johannes Otten, de leider van het verzet ↑
-
BHIC, toegang 7689 Gemeentebestuur Erp 1930-1970, inventarisnummer 183 Bewaking tegen sabotage, documentpagina 2 en verder ↑
-
BHIC, toegang 7689 Gemeente Erp 1930 -1970, inv.nr. 183 Bewakingsdiensten tegen sabotage, 1943-1944, documentpagina 27 ↑
-
www.Erthepe.nl, Archief WO 2 ERP Antoon Verbakel, passim ↑
-
BHIC, toegang 7689 Gemeentebestuur Erp 1930-1970, inv.nr 183 Bewaking tegen sabotage, documentpagina 2 en verder ↑
-
www.Erthepe.nl, Archief WO 2 ERP Antoon Verbakel, passim ↑
-
Vergelijkbaar, in Dongen is daarover uitgebreide informatie te vinden in het archief Gemeentebestuur Dongen 1929-1960, inv.nr. 1380, Tewerkstelling Dongenaren op vliegveld Heibloem ↑
-
www.Erthepe.nl, Archief WO 2 ERP Antoon Verbakel, passim ↑
-
Antoon Verbakel, Jan Kerkhof, Marius Strijbosch, Erp gedurende WOII, 2019 ↑
-
Marius Strijbosch schriftelijke mededeling aan auteur, voorjaar 2023 ↑
-
BHIC, toegang 1085, Inv.nr. 1374 -1376 Stukken betreffende het verweer van A.B.G.M. van Rijckevorsel tegen zijn ontslag als Commissaris van de Koningin in Brabant ↑
-
BHIC, toegang 1085, Inv. Nr. 1374 -1376, idem ↑
-
Marius Strijbosch, mondelinge mededeling aan auteur, 2023 ↑
-
Jochem Botman, De intriges van de gebroeders Sassen, Uitgeverij Aspekt Amersfoort, 2014, p.37 de benoeming van Jan (Wim) Sassen tot burgemeester in Veghel op 25 augustus 1943 ↑
-
Bij de dodenherdenking van 4 mei 2019 in Erp, is het theaterstuk ‘The Battle’ opgevoerd, een gefingeerd tweegesprek tussen Verheijen en Sassen. Door de scenaristen is mij de tekst ter beschikking gesteld ↑
-
Piet van Asseldonk, ‘Drie Burgemeesters, maar geen gemeenteraad’, in Kroniek ‘Van Vehchele tot Veghel’, nr. 145, maart 2022, p.3-11 ↑
-
BHIC, toegang 1085, Archief Commissaris van de Koningin Van Rijckevorsel van 1920 tot 1969, inv.nr. 1141, Zuivering en rechtsherstel; Belastende verklaringen NSB’ers ↑
-
Jan Burgers, Ze hebben ons in de steek gelaten, de geschiedenis van zeven Brabantse burgemeesters tijdens de Tweede Wereldoorlog, Son en Breugel, 2004 ↑
-
www.erthepe.nl, Antoon Verbakel, Bladerboek, ↑
-
Eric Verheijen, bron mondelinge mededeling aan auteur, 2023 ↑
-
Jan Burgers, pp.56 e.v ↑
-
Jan Burgers, pp.56 e.v ↑
-
Transcriptie interview met Maike Verheijen, 2022 ↑
-
Eric Verheijen, mondelinge mededeling aan auteur, 2023 ↑
-
BHIC, toegang 7635 gemeentebestuur sint Oedenrode, inv.nr. 797 dossier distributiekring St. Oedenrode, documentpagina 151 ↑
-
Marius Strijbosch en Frans Scheepers, Tussen crisis en bevrijding, 2017, deel 1, p. 116, foto van Jan en Cato al medewerkers van de distributie in Erp, www.Erthepe.nl ↑
-
BHIC, toegang 7689 Archief gemeente Erp 1930-1970, inv.nr 921 Archief luchtbescherming Erp, ledenlijsten en kaartsystemen, 1938-1946 ↑
-
BHIC, toegang 7689 Archief gemeente Erp 1930-1970, inv.nr. 290 Zorg voor de opvang van kinderen 1940 – 1942, p. 1 e.v. ↑
-
Antoon Verbakel, Burgemeester H. Verheijen Erp, 1992 ↑
-
BHIC, toegang 7689 Archief Erp 1930-1970, inv.nr. 290, idem ↑
-
BHIC, toegang 7689 Archief Erp 1930-1970, inv.nr. 290, idem ↑
-
BHIC, toegang 7689 Archief Erp 1930-1970, inv.nr. 290, idem ↑
-
Transcriptie interview met Trees van Dam & Eric Verheijen, Breda, 2023
Therèse Hendrika Schelvis -van Dam. Geboren te Rotterdam op 17-10-1935 ↑
-
Stadsarchief Rotterdam (RtSA), toegang 336 archief van het Centraal Evacuatiebureau Rotterdam bureau Kinderuitzending, inv.nr. 95 Lijsten van uitgezonden kinderen, 1940-1945, Lijsten vanuit gezonden kinderen ↑
-
Transcriptie interview met Trees van Dam & Eric Verheijen, Breda, 2023 ↑
-
BHIC, toegang 7689 archief gemeentebestuur Erp 1930-1970, inv.nr. 921 Ledenlijsten en kaartsystemen van de luchtbeschermingsdienst Erp 1938-1946, div, pp. ↑
-
Marius Strijbosch en Frans Scheepers, Tussen crisis en bevrijding, 2017, deel 1, p. 116, www.Erthepe.nl ↑
-
Antoon Verbakel, Bladerboek, www.Erthepe.nl ↑
-
Marius Strijbosch, documentatie Heemkundekring Erthepe, 24 mei 2023 ↑
-
BHIC, Huwelijksregister Erp 1943, Archiefnummer 1297, inv.nr. 1637, aktenummer 8 ↑
-
BHIC, toegang 7689, inv.nr. 527 maandrapparten van de veldwachter 1942-1944, passim ↑
-
BHIC, toegang 7689 gemeentebestuur Erp 1930-1970, inv. Nr. 175 Inlichtingen over Inwoners Erp, documentpagina 31 & 32 Brief van 5 november 1943 inspectie Prijsbeheersing aan burgemeester Erp ↑
-
Eric Verheijen, Mondelinge mededeling aan auteur, 2023 ↑
-
Transcriptie Interview met Trees van Dam en Eric Verheijen, voorjaar 2023 ↑
-
BHIC, toegang 7635 archief gemeentebestuur Sint-Oedenrode 1934- 1969, Inv.nr. 798 Controlerapporten Kringkantoor Distributie Sint Oedenrode, documentpagina 12 rapport 20 juli 1943 om 8.30 uur ↑
-
BHIC, toegang 7635, inv. nr. 797 Personeelsdossier Distributie Dienst st. Oedenrode, documentpagina 117 ↑
-
BHIC, toegang 7535, Inv.nr. 797 Personeelsdossier Distributie Dienst st. Oedenrode, documentpagina 117 ↑
-
Transcriptie Interview Trees van Dam en Eric Verheijen, 2023 ↑
-
Transcriptie Interview met Trees van Dam en Eric Verheijen, 2023 ↑
-
Antoon Verbakel, Burgemeester H. Verheijen – Erp, 1992, refereert ook dit voorval, waarbij jan betrokken zou zijn, zonder de naam van de piloot te noemen. ↑
-
Transcriptie Interview met Trees van Dam en Eric Verheijen, 2023 ↑
-
BHIC, toegang 1085, inv.nr. 1076 Zuivering en rechtsherstel in Veghel 1944 – 1957, documentpagina 11, 12, 14 en verder ↑
-
BHIC, toegang 7635, Inv.nr. 798 controlerapporten Kringkantoor Distributie Sint Oedenrode, documentpagina 303 ↑
-
BHIC, toegang 7635 Inv.nr. 800 bijdragen deelnemers bedrijfskosten 1940 -1952, documentpagina 130 e.v. ↑
-
Eric Verheijen, schriftelijke mededeling aan auteur, 2023 ↑
-
Eric Verheijen, schriftelijke mededeling aan auteur, 2023 ↑
-
Antoon Verbakel, Burgemeester H. Verheijen – Erp, 1992 ↑
-
Transcriptie interview met Maike Verheijen, 2022 ↑
-
Marius Strijbosch en Frans Scheepers, Tussen crisis en bevrijding, 2017, deel 1, p. 150 E.V., www.Erthepe.nl ↑
-
Antoon Verbakel, Aantekeningen burgemeester H. Verheijen- Erp, 1992 ↑
-
Jan Burgers, p. 82 ↑
-
Antoon Verbakel, Gesprek met marechaussee Henk Ellenbroek, Uit: Aantekeningen Burgemeester H. Verheijen, Erp, 1992 ↑
-
BHIC, toegang 1085, inv.nr. 298 benoeming tijdelijk kiescollege Erp 1945, documentpagina 14 en 15 ↑
-
BHIC, toegang 1085, inv.nr. 308 beëdiging tijdelijke gemeenteraad Erp, documentpagina 82 ↑
-
Antoon Verbakel, Burgemeester H. Verheijen- Erp, 1992 ↑
-
Peter Romijn, burgemeesters in oorlogstijd, p.13 ↑
-
BHIC, toegang 1085, inv.nr. 1100 Rapporten van groeperingen van het voormalig verzet over de opstelling van burgemeesters tijdens de bezetting, en beoordeling van personen, die bij de bevrijding als burgemeester optraden, 1944 -1945, documentpagina 11 ↑
-
BHIC, toegang 1085, inv.nr 1141 Maatregelen tegen waarnemend en locoburgemeesters in het kader van zuivering en rechtsherstel, Erp 1944-1960, documentpagina 7 t/m 13 ↑
-
Peter Romijn, burgemeesters in oorlogstijd, p.14
Bronnen
Archieven
West-Brabants Archief (WBA)
Regionaal Archief Tilburg (RAT)
Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC)
Utrechts Archief (UA)
Stadsarchief Rotterdam (RtSA)
Nationaal Archief, (NA) Delpher, Kranten
Websites
nl.wikipedia.org
Interviews
Transcriptie Interview van Maike Verheijen, dochter van Herman Verheijen, door Neef Don Verheijen. De geluidscassettes zijn door Eric Verheijen aan de auteur in november 2022 voor transcriptie ter beschikking gesteld.
Transcriptie Interview met Mvr. Trees van Dam en Dhr. Eric Verheijen, 2022 en 2023. Daarna zijn er nog diverse mondelinge en schriftelijke contacten met hen geweest.
Auteur heeft in de loop van 2022 en 2023 diverse keren mondeling en schriftelijk contact gehad met dhr. Marius Strijboschn
Literatuur
Asseldonk, Piet van – ‘Drie Burgemeesters, maar geen gemeenteraad’, in Kroniek ‘Van Vehchele tot Veghel’, nr. 145, maart 2022, p.3 e.v.
Burgers, Jan – Ze hebben ons in de steek gelaten, de geschiedenis van zeven Brabantse burgemeesters tijdens de Tweede Wereldoorlog, Son en Breugel, 2004
Botman, Jochem – De intriges van de gebroeders Sassen, Uitgeverij Aspekt Amersfoort 2014
Romijn, Peter – Burgemeesters in oorlogstijd, uitgeverij Balans Amsterdam, 2006
Sijes, B.A. – De Arbeidsinzet: de gedwongen arbeid van Nederlanders in Duitsland, 1940-1945, Sdu Uitgevers, 1990
Sanders, Frits – Battle, tekst theaterstuk, Dodenherdenking, 4 mei 2019
Sprangers, Hans Dongen in tijden van epidemieën, Heemtijdschrift De Wazerweijen, nummer 56, p. 30-51
Strijbosch, Marius en Scheepers, Frans – Oorlogsherinneringen, Erpenaren vertellen over hun ervaringen tijden de Tweede Wereldoorlog, Heemkundekring Erthepe, mei 2010
Strijbosch, Marius en Scheepers, Frans – Tussen crisis en bevrijding, 2017
Verbakel, Antoon – Burgemeesterr H. Verheijen-Erp, 1992
Verbakel, Antoon, Kerkhof, Jan en Strijbosch, Marius – Erp gedurende WOII, een terugblik in herinnering, 2019
Verbakel, Antoon – Bladerboek, www.erthepe.nl ↑
