Op zondag 17 september 1944 startte de Operatie Market Garden; een sterk geallieerd offensief, dat als het grootste op Nederlands grondgebied tijdens de tweede wereldoorlog kan worden aangemerkt.
Market Garden bestond uit een grootschalige luchtlandingsoperatie (Market) en een grondoffensief vanuit België (Garden). Amerikaanse, Britse en Poolse luchtlandingstroepen zouden de belangrijke bruggen over de Nederlandse rivieren en kanalen tussen Eindhoven en Arnhem innemen, waarna grondtroepen snel vanuit het Belgisch-Nederlandse grensgebied zouden kunnen oprukken en doorstoten naar Arnhem – het IJsselmeer. De doelstelling was om de grondtroepen, gevormd door het Britse XXXste korps (met drie divisies), in drie dagen de lange weg – in de vorm van een corridor – van de Belgische grens tot aan Arnhem te laten afleggen. Daarmee zouden de Duitse troepen in het westen van Nederland in de tang zijn genomen en was er tevens de mogelijkheid om naar het oosten door te stoten, waar het Ruhrgebied lag, het industriële hart van Duitsland. De flanken van die corridor zouden daarbij verdedigd worden door twee andere Britse korpsen; het XIIe aan de linkerzijde en het VIIIe aan de rechterkant.
In onze streek kwamen alle rivier- en kanaalovergangen al snel na de luchtlandingen in bezit van de parachutisten van de 101ste USA-Airborne Division, welke geland waren in het gebied Son-Veghel; echter met uitzondering van één, namelijk die over het Wilhelminakanaal te Son. Korte tijd voordat de gelande paratroopers de brug konden bereiken werd ze nog door Duitse troepen opgeblazen/vernield. Mede hierdoor en door het sterke Duitse verzet tussen de grens en Valkenswaard ontstond er een vertraging in de opmars van twee dagen.
Geallieerde genie-eenheden bouwden te Son in allerijl naast de verwoeste oversteek een Baileybrug, welke op dinsdagmorgen 19 september rond 6.15 uur gereed was. Vanaf dat moment kwam er een stroom voertuigen (tanks, carriers, vrachtwagens, kanonnen enz.) richting Nijmegen-Arnhem op gang; de z.g. corridor, door de Amerikanen Hell’s highway genaamd, was ‘geopend’ en bood de mogelijkheid voor de noodzakelijke aanvoer van versterkingen naar het gebied Nijmegen-Arnhem; een nagenoeg ononderbroken stroom legereenheden met hun uitrustingen en materialen – een ongekend schouwspel, dat vele belangstellenden langs de wegen trok.
De gehele week bleef het druk in het luchtruim; men trachtte vanuit Engeland dagelijks aanvullingen in de vorm van personeel (luchtlandingstroepen) en materiaal aan te voeren, maar wegens de minder gunstige weersomstandigheden lukte dat maar deels. Pas op zaterdag 23 september slaagde men daarin weer op grote schaal.
Maar… toen was al zoveel achterstand in het schema opgelopen en had het Duitse leger al zoveel – niet verwachte – versterkingen kunnen inzetten, dat het duidelijk was, dat de gehele operatie niet tot het gedachte succes zou leiden. Op dinsdag 26 september 1944 werd “Market Garden” opgegeven. Vooral de luchtlandingstroepen bij Arnhem hadden sterke verliezen geleden. De ‘corridor’ tot Nijmegen bleef echter in stand en kon meteen worden aangewend voor de bevrijding van de belendende gebieden; dat had tot gevolg dat Zuid-Nederland rond einde november 1944 tot aan de rivier De Maas bevrijd was.
Die zondagmorgen heerste er boven ons deel van Brabant al vroeg een drukte in de lucht; die werd veroorzaakt door Amerikaanse bommenwerpers – uiteraard begeleid door een schare jagertjes erboven en erom heen – die Duitse luchtafweeropstellingen bij vliegvelden, bruggen/rivierovergangen ed. kwamen bombarderen. De opstellingen bij vliegveld Eindhoven, rondom Volkel, bij de bruggen te Hedel, Ravenstein en Grave waren de doelen; zij werden terdege aangevallen. Niemand besefte de ware aard/achtergrond van de aanvallen; pas later kreeg men door, dat die bombardementen de inleiding vormden van de operaties, welke in de namiddag zouden volgen. De uitschakeling vooraf van de Duitse luchtafweer was noodzakelijk om de verliezen bij de enorme vloot – onbewapende – vliegtuigen en zweeftoestellen, welke in de namiddag zouden passeren, tot het uiterste te beperken.
De bommenwerpers die over de streek trokken veroorzaakten – volgens de aantekeningen van pastoor A. Meuwese te Erp – zoveel kabaal, dat hij zijn preek tijdens de Hoogmis moest afbreken.
De landingen van de manschappen van de 101e US-luchtlandingsdivisie tussen Son en Veghel onttrokken zich grotendeels aan het zicht van de Erpse bevolking; alleen inwoners van Het Ham tussen Veghel en Erp en Het Hool onder Keldonk zagen wel vaag in de verte de parachutisten in de lucht hangen. Ook viel de enorme activiteit van veel vliegtuigen met begeleidende jagertjes op. Van Duitse zijde vielen geen acties te constateren. Al na korte tijd snelde het nieuws van de landingen bij Son en Veghel en bij Grave door de dorpen en trokken er al wat nieuwsgierigen naar Veghel om poolshoogte te gaan nemen en zich te vergewissen van de realiteit. En… was er al het begin van het bevrijdingsgevoel – volkomen ten onrechte bleek later in de week.
In de namiddag van die zondag 17 september werden Erp en Keldonk al geconfronteerd met die harde wereld van de oorlog en bevrijding. Op de Vogelenzang stortte een Amerikaans vliegtuig neer, dat parachutisten had gedropt boven Veghel; twee bemanningsleden kwamen daarbij om. Veel inwoners aanschouwden de fatale neergang van het toestel en woonden een paar uur later de begrafenis van een van de gesneuvelden op het r.-k. kerkhof te Erp bij. Zie beschrijving hoofdstuk 7, paragraaf 1 c.q. Bijdrage nr. 77 – 79.
Hoewel er nog meerdere Duitse militairen, in los verband dan wel in patrouilles, in de buitengebieden rondzwierven, was het vanaf maandag 18 september in Veghel een grote drukte van toeschouwende bezoekers uit omliggende dorpen; men wilde die stoere Amerikaanse boys wel eens bekijken en begroeten als “onze bevrijders”. Aan mogelijk gevaar van verweer door de Duitsers werd niet gedacht. Vanaf dinsdagmorgen trok ook het Britse grondleger (van het XXXste Korps) door Veghel, richting Uden en was er nog veel meer bekijks. Ook vele inwoners uit Gemert, Beek en Donk en zelfs Helmond die dan via Keldonk of Erp over de hoofdwegen naar Veghel trokken om er een kijkje te gaan nemen.
Na een toevallige ontmoeting met een groepje Duitse soldaten koos men na enkele dagen de binnenwegen over Boerdonk, Keldonk, enz. Het “bekijken van Amerikaanse parachutisten en Britse infanteristen” hield aan tot vrijdagmorgen 22 september, toen door een sterk Duits optreden de gehele situatie ineens veranderde.
Al op maandag tegen de avond, dus een dag na hun landingen, verscheen er een Amerikaanse patrouille in Erp om zich van de omstandigheden op hun flank te vergewissen. Zij bleef maar een korte tijd en trof een rustige situatie aan en in geen geval zich verzettende Duitse militairen. Die moeten er echter wel zijn geweest, want in de komende dagen doken er zo nu en dan ineens ook patrouilles van hun zijde op om zich een beeld van de verhoudingen te kunnen vormen
De volgende dagen tot de avond van donderdag 21 september bleven de Amerikaanse patrouilles komen en het is zeer waarschijnlijk, dat zij ook een uitkijkpost hadden in de Erpse kerktoren. Britse troepen verschenen er niet; hun doelen lagen te Nijmegen en omgeving Arnhem; zo snel als maar enigszins mogelijk was trachtten zij daar te komen.
Ondertussen waren zo hier en daar in Erp al Amerikaanse en Britse vlaggen opgehangen (o.a. bij het huis van Otten).
De Erpse ondergrondse hield via de leden van de familie Otten de commandanten van de Amerikaanse para’s te Veghel vanaf maandag constant op de hoogte van de situatie in Erp.
Op woensdagnamiddag 20 september deed zich onder Erp het eerste serieuze incident na de luchtlandingen van zondag 17 september voor. Die dag waren er te Nederwetten-Breugel-Son felle schermutselingen tussen Duitse troepen en de Amerikaanse para’s; het doel van de Duitsers was kennelijk geweest de nieuwe Baileybrug bij Son te vernielen en daarmede de toevoerweg – de Corridor – te doorsnijden. Die aanval was afgeslagen en de Amerikanen verwachtten een verplaatsing van de aanval naar Erp met als Duits doel de bruggen over de Zuid-Willemsvaart te Veghel..
In de namiddag werden op de kanaaldijk onder Keldonk enkele Duitse militaire wagens gesignaleerd; wellicht vanuit een observatiepost in de Erpse kerktoren. Na de brug over de Zuid-Willemsvaart bij sluis 5 opgeblazen te hebben spoedden zij zich richting Erp. Zij kwamen inderdaad later op de dag voor de Aa-brug centrum Erp te staan.
Uit het oorlogsdagboek van een van de bataljons van het 501e Regiment, 101 US-Airborne Division blijkt, dat een S-2 Inlichtingenpatrouille vergezeld van een Explosieventeam toen naar Erp werd gestuurd om de – in 1942 aangelegde –Aa-brug op te blazen en om daarmede Duitse tanks te verhinderen over te steken; dat geschiedde te ca. 19 uur en de patrouille trok zich daarna terug op Veghel. Achteraf vond men, dat de opdracht niet naar behoren was uitgevoerd; de brug was alleen gebroken. Er werd wel heel veel schade aan in de buurt liggende panden/woonhuizen aangericht.
Ook de brug over de Zuid-Willemsvaart te Keldonk, naar het Hool, viel ten offer. Het 3e peloton van de A-compagnie van het 326e Airborne Genie Bataljon stuurde vanuit Veghel een groep op pad om de brug te vernielen. Deze opdracht was wel succesvol en de brug werd buiten werking gesteld en kon door de Duitsers, indien van plan, niet meer gebruikt worden.
Donderdag 21 september gebeurde er weinig opzienbarends. Het doortrekken van de Britse troepen via Veghel-Uden en verder richting Nijmegen werd zeer intensief voortgezet. Alleen in de namiddag stortte een, van een bevoorradingsvlucht naar Arnhem terugkerende, Dakota van het 437e. (Husky) Squadron van de R.C.A.F. (Royal Canadian Air Force) neer nabij de boerderij van Piet Biemans in het Hool, onder Keldonk. Zie beschrijving hoofdstuk 7, paragraaf 2 c.q. Bijdrage 80 en 81.
Voor meerdere Erpenaren wel belangrijk was de passage in de namiddag van de Prinses Irene Brigade te Veghel op weg naar Grave. Onder de passerende troepen bevond zich de sedert mei 1940 in Groot-Brittannië vertoevende Erpse militair Harrie Verbruggen. Zijn vrouw en verdere familie en kennissen stonden hem op te wachten, maar het oponthoud mocht maar even duren – de militaire taak (bewaking brug te Grave) wachtte. Zie beschrijving hoofdstuk 3, paragraaf 5 c.q. Bijdrage nr. 47.
En dan werd het vrijdag 22 september… de dag die in de analen van de 101e US-Airborne Division uitgroeide tot “Black Friday” – Zwarte vrijdag en dat voor de beide strijdende partijen.
En de dag, waarop de gemeente Erp in de frontlijn kwam te liggen.
Reeds een week eerder – 11-13 september – hadden de Duitsers een nieuwe strijdgroep samengesteld; een samenraapsel van allerlei soorten troepen. Zij was naar Duitse gewoonte vernoemd naar de commandant, derhalve in dit geval Die Kampfgruppe Walther, de 42-jarige Oberst (= kolonel) Erich Walther. De groep bevond zich toen nog in het Nederlands-Belgische grensgebied, van Neerpelt – Lommel – Valkenswaard. In de laatste had hij zijn hoofdkwartier met staf gevestigd. In de loop van de week werden nog enkele andere eenheden aan de groep toegevoegd, hetgeen ook nog geschiedde na de start van Market Garden. Toen werden op maandag en dinsdag 18 en 19 september nog ‘verse’ troepen vanuit Duitsland per spoor via station Venlo overgebracht en was de totale sterkte gebracht op meerdere duizenden manschappen.
De opmars van het Britse grondleger dwong hem om zijn troepen in fasen terug te nemen. Zijn hoofdkwartier verplaatste hij op zondag 17 september al van Valkenswaard naar Heeze-Leende en via Helmond op donderdag-namiddag 21 september naar het kasteel – bewoond door de Paters van de Congregatie van de H. Geest – te Gemert.
En aldaar kreeg hij meteen een nieuwe opdracht: een sterke aanval via Erp op de kanaalovergangen te Veghel en het blokkeren van de Corridor. Tegelijkertijd zou een andere groep – de Kampfgruppe Huber – vanuit de westzijde, het gebied Schijndel-Wijbosch-Eerde – een aanval openen met hetzelfde doel. De corridor zou en moest doorsneden worden!
In de loop van die donderdagnamiddag hadden de eenheden van de Kampfgruppe Walther zich al deels verzameld in Gemert, waar ze de gehele volgende nacht bivakkeerden; in de late avond en voornacht kwamen daar nog eenheden bij. Nagenoeg alle straten stonden vol met gestalde Duitse voertuigen en er vertoefde een massa Duitse militairen.
Maar geen van de Gemertse inwoners besefte het doel van deze aanwezigheid; men liep al enkele dagen rond met het idee, dat de oorlog in onze streek al zowat voorbij was. Al vroeg op de vrijdagmorgen 22 september zag men het oorlogstuig in de vorm van tanks, pantserwagens, kanonnen en soldaten o.a. op vrachtwagens, maar ook te voet, vertrekken.
Een deel begaf zich rechtstreeks via Koks naar Erp; een andere groep vertrok naar Boekel om zich daar te splitsen, waarbij het overgrote deel naar Erp afboog en het andere door trok naar Volkel of binnendoor richting Kraanmeer en Knipperdul onder Erp. Hierbij ook enkele zware tanks.
Rond 9.30 uur verschenen de eerste Duitse pantserwagens, komende via de Gemertsedijk, bij de kapotte Aa-brug in Erp. Deze werd door Duitse specialisten snel “oversteekbaar” gemaakt, waarna de inmiddels aangegroeide colonne met allerlei eenheden kon doortrekken, richting Veghel. Op het Harmonieplein voegden zich ook de eenheden, welke van Boekel kwamen, zich in de stroom. Op Schansoord en op de Veghelsedijk splitsten de Duitse troepen zich; een deel ging rechtstreeks over de Veghelsedijk naar Veghel, een ander deel naar de buurtschappen het Ham en Havelte. De aanval op Veghel was begonnen.
Enkele inwoners van Erp hadden hun woonplaats inmiddels ook al verlaten; leden van de ondergrondse o.a. Harrie Otten, maar ook de huisarts Henrar waren bijtijds naar Veghel gegaan. Vanuit de woning Otten, doch via het plaatselijk post- en telefoonkantoor (rechtstreeks telefoneren ging in die tijd nog niet), werd de Amerikaanse commandopost in Veghel een tijd lang per telefoon op de hoogte gehouden van hetgeen er in Erp zoal passeerde.
Op meerdere plekken stelden de Duitsers luchtafweergeschut op (van Flak-Ersatz- und Ausbildungsbatallion 52); bij boerderijen of schuren en sterk gecamoufleerd uiteraard. Zij beseften terdege, gestoeld op ervaringen, dat de Typhoons van de Britse luchtmacht (R.A.F. – 2nd TAF) in de loop van de dag onherroepelijk boven hen zouden verschijnen.
Nagenoeg overal verschenen Duitse militairen; niet alleen op straat in het centrum, maar ook in de buitenwijken, op binnenwegen, tuinen, in boomgaarden en weilanden; soms ook in de huizen. Zij controleerden en hielden eigenlijk alles in de gaten, terwijl de aanvalseenheden doortrokken naar Veghel. Zij controleerden, maar ze hielpen soms ook de burgers, waarschuwden hen voor dreigend gevaar of gaven een advies. De buurman van Otten had naast zijn huis een grote en stevige schuilkelder; daar was het een beetje komen en gaan. Dat was kennelijk ook de Duitsers opgevallen, zij vertrouwden het niet en haalden iedereen eruit. De zes mannen en tien vrouwen met enkele kinderen werden overgebracht naar de kerk, waar ze onder bewaking in het portaal moesten blijven. De argwaan tegen de – overigens geen kwaadwillende – groep was opgevallen bij een wachtpost in de kerktoren, doordat enkele jonge mannen in en uitliepen; in zijn ogen mogelijk “partizanen”die de vijand hielpen. Na verloop van tijd werden de moeders met hun schreiende kinderen vrij gelaten en rond half vijf alle anderen.
Ondertussen vlogen de artilleriegranaten over en weer en kwamen er ook in het centrum terecht en richtten schade aan.
Maar omtrent hetgeen zich op “Veghel-zuid” afspeelde bleef men in Erp onbekend; daar ontbrandde een hevige strijd tussen de opdringende Duitsers en de zich fanatiek verdedigende geallieerde eenheden van allerlei slag, USA-para’s en
Britse infanterie, artillerie en pantserafweer. Met aanzienlijke persoonlijke en materiële verliezen aan de beide kanten.
Die strijd zou voortduren tot in de late avond van zaterdag 23 september.
In Erp werd ook onderdak verleend aan uit Havelte en Het Ham gevluchte mensen, welke naar familie of bekenden in Erp trokken en aldaar een veilig heenkomen vonden.
Ook in Boerdonk en Keldonk verschenen die vrijdagmorgen Duitse troepen; deze waren eigenlijk belast met de verdediging van de linkerflank van de aanvallers op Veghel. Die flank werd gevormd door de Zuid-Willemsvaart met aan de kant van Het Hool tot Zijtaart gecontroleerd door de geallieerden. Een deel van de II./SS-Panzerregiment 22, komende van Gemert, was bij de melkfabriek te Erp afgeslagen om naar Keldonk te trekken.
In Boerdonk arriveerden in de voormiddag enkele bussen met Duitse militairen; zij verspreidden zich meteen richting Keldonk. Bij Michiel Penninx werd luchtafweergeschut opgesteld en de lagere school werd gevorderd.
Een apart hoofdstuk gingen de bossen in Het Hurkske vormen. Daar verscheen te ca. 9 uur de artillerie van de Duitsers en werden in de eerste dreef links van en parallel aan de Gemertsedijk de kanonnen, gericht op Veghel, opgesteld. Het waren een batterij van vier stuks sFH18 (= 15 cm schwere Fieldhouwitze 18) en twee batterijen van leFH18 (= 10,5 cm leichte Fieldhouwitze 18) van Artillerie Ersatz- und Ausbildungsregiment 22.
De bewoners van de twee gemeenteboerderijen en van de twee andere woningen in het open gebied verderop hadden in die, toch wat mistige morgen, al wel veel lawaai gehoord, doch konden het niet verder traceren. Het leek wel afkomstig van voertuigen. Er kwam duidelijkheid toen een van de landbouwers, Johan Manders, te ca. 9.45 uur terugkomende van Erp, op weg naar zijn boerderij stootte op een groot aantal druk bezig zijnde Duitse militairen. Ze groeven schuilputten, maar wat hem nog het meest verontrustte, zij stelden zware kanonnen op, met de lopen gericht op het westen/noorden. Zware tanks reden inhammen in de begroeiing, de bomenrij en daarin werden dan de kanonnen geplaatst. De Duitsers hielden hem aan en verboden hem in eerste instantie om verder te gaan. Hij kreeg het gedaan – waarschijnlijk omdat ze over en weer geen woord van elkaar verstonden – om naar zijn iets verderop liggende boerderij te mogen gaan. Hevig ontdaan over hetgeen hem was overkomen, maar vooral wat hij daar aan oorlogsmateriaal had waargenomen, waarschuwde hij meteen zijn buren Bert Zomers en Driek Verbakel. Met zijn gezin vluchtte hij direct daarna naar familie in Erp; van de drup in de regen, want in Erp was het ook niet pluis. Het gezin van Bert Zomers vluchtte eveneens naar familie in Erp; Driek Verbakel bleef met zijn gezin in de woning – zij mochten niet meer weg van de Duitsers. Op de hoek van het bosperceel tegenover zijn woning plaatsten de Duitsers een vierlingluchtafweergeschut (20mm-Flakvierling 38), dat later op de dag nog in actie zou komen.
In de loop van de voormiddag passeerden grote groepen zwaar bewapende Duitse soldaten te voet, haast zeker binnendoor komende van Gemert en Leek, de bossen via de huidige Meerbosweg om dan via de Laren verder richting Keldonk te trekken.
Ook op enkele boshoeken en bij de boerderij van Bekkers langs de Gemertsedijk hadden de Duitsers luchtafweergeschut opgesteld.
De woning van Marinus van de Laar, boswachter en gemeentelijk voorwerker, heden ten dage cafetaria De Boswachter,
werd meteen door de Duitsers gevorderd; zij vestigden er de commandoposten van de artillerie, waarvan de kanonnen in de bossen achter de woning werden opgesteld en van de infanterie (Grenadier Ersatz- und Ausbildungsbataillon 16), die Veghel ging aanvallen. In de avond van de dag werd de commandopost nog even bezocht door de Gruppe-commandant Walther.
Marinus en zijn vrouw Ké, dochter Zus en twee zonen Karel en Broer vluchtten niet en bleven er tussen de Duitsers zitten. Die hadden er geen probleem mee, als ze maar niet in de weg liepen en de Duitsers de baas lieten, wat gebruik van inboedel enz. betrof. Van de Laar en zijn zonen begonnen wel meteen met de aanleg van een schuilkelder; als dak daarvoor maakten zij gebruik van de grote houten deuren van de gemeentelijke schuren op hun erf. Een diep gat in de grond, daarbovenop de deuren en nog eens een stevige laag grond.
Vierling luchtafweergeschut 15 cm sFH18
ca. 10 uur ging het eerste proefschot richting Veghel af; waarschijnlijk een om te kunnen waarnemen hoe de geschutsopstelling lag. Men hoorde hem vanuit de bossen weg suizen. Daarna volgden de salvo’s met een tussenruimte van een twintigtal minuten elkaar op; nagenoeg de gehele dag door, alleen onderbroken als geallieerde vliegtuigen in de buurt waren. En allemaal richting Veghel, waar vooral in het centrum veel schade werd aangericht en de doortocht van het XXXe korps inderdaad kwam stil te liggen. Vanuit Veghel e.o. werd door geallieerde artillerie wel teruggevuurd; het centrum van Erp lag wel binnen het bereik van hun artillerie, maar de Hurkske-bossen net niet.
‘s Middags rond een uur of drie verscheen er plotseling een Brits vliegtuig boven de bossen en de omgeving als Leek en de Coxedijk; het vloog er enkele keren overheen en keerde op zeer lage hoogte vliegend – net boven de toppen van de dennenbomen en een dreef volgend – terug om de omgeving aan de Boerdonkse kant te verlaten. Meteen bij zijn verschijnen vielen alle Duitse activiteiten stil, geen kanonschot werd er meer gelost en er werd ook niet geschoten op het toestel; men deed het voorkomen alsof daar de vredigheid zelf heerste. Amper weg en het beschieten van Veghel werd hervat. Het was wellicht een RAF-verkenner en de voorbode van hetgeen een tweeënhalf uur later zou gaan plaats vinden.
En dan zijn er ineens … de door de Duitsers verwachte en gevreesde Typhoons met hun raketten, bommen en boordgeschut. Het waren toestellen van vier squadrons van de 121 Wing RAF, gelegen op het vliegveld B70-Deurne bij Antwerpen. Zij waren rond vijf uur opgestegen met de opdracht om Duitse voertuigen aan te vallen in het gebied Volkel-Uden-Mariaheide; een tank en enkele voertuigen werden vernietigd. Maar zij vormden slechts het begin van de aanval vanuit de lucht op het echte “Walther-gebied”.
Die kwam ruim een uur later van de zijde van een andere RAF-eenheid, de 124 Wing RAF. In hoofdstuk 7.3 / Bijdrage 90 is daarover uitgebreid verhaald. De vier squadrons van deze Wing, gelegen op het vligveld B.58-Melsbroek bij Brussel werden die dag overgeplaatst naar het provisorisch herstelde vliegveld B.78-Eindhoven; echter via een “omweg” over het gebied Boekel-Erp-Veghel, alwaar de Duitse troepen van Kampfgruppe Walther moesten worden aangevallen.
De oorlogsdagboeken van de squadrons geven een duidelijke doelenomschrijving aan: het aanvallen van Duitse tanks, gecamoufleerde objecten in de bossen tussen Koksebrug en Erp, Duits militair verkeer op de weg Boekel-Erp, in de straten van Erp en het zuiden van Veghel (dat allemaal aangeduid met kaartcoördinaten), om daarna te landen op Eindhoven.
De aanvallen begonnen rond kwart over zes en duurden voort tot rond half acht. Zwermen Typhoons, vliegend in groepjes van drie of vier schuin achter elkaar, bleven maar duikaanvallen uitvoeren op ‘vermeende’ doelen. Zij lanceerden daarbij – kennelijk afhankelijk van het geconstateerde doelwit – raketten of wierpen bommen af, of schoten met hun boordwapens. Bij de eerste aanvallen trachtten zij al het opgestelde luchtafweergeschut uit te schakelen. Dat lukte echter maar deels o.a. vanwege de aangebrachte camouflage. In Erp – op de Morsehoef/Oudveld – sneuvelde daarbij een Duitse militair.
In Boerdonk hadden Leek, de Coxedijk en vooral de aangrenzende Hurkske-bossen de belangstelling; bijna anderhalf uur lang werden de bossen met daarin de artillerieopstellingen aangevallen. Ook militair verkeer in de straten in het centrum van Erp werd niet ontzien.
Daar deed zich nog een incident voor: tijdens de aanvallen werden op bevel van een Duitse officier een groepje schuilende mannen uit de kelders van de oude bierbrouwerij van Steenbakkers en uit de molen van Johan Franssen gehaald en met de handen omhoog vóór aldaar opgestelde Duitse tanks gezet. De Typhoonpiloten moeten de situatie onderkend hebben, want zij vielen – tegen hun gewoonten – niet aan. Eenzelfde voorval deed zich een dag later voor op de Boekelsedijk, waar boeren bij hun boerderijen ‘dekking’ moesten geven aan artillerie en tanks.
Heel veel inwoners van Erp hadden in de loop van de middag zo goed mogelijk een heenkomen gezocht in hun kelders en bleven daar ook de volgende nacht.
Onder de geschutbemanningen in de bossen vielen geen doden; hoogstens enkele gewonden. Zij hadden een goede bescherming in de diepe schuilputten, welke zij s morgens al hadden aangelegd. In de boswachterswoning moeten wel gewonden zijn gevallen; daar trof men later enkele met bloed besmeurde lakens aan.
Langs de Gemertsedijk – halverwege tussen de boswachterswoning en Koks – was een grote Duitse autobus vernietigd; waarschijnlijk gebruikt voor de aan- en afvoer van troepen of gewonden. Zij brandde nog volop toen de Typhoons vertrokken; in de inmiddels ingevallen schemering duidelijk boven de bossen uit zichtbaar en een totaal uitgebrand skelet over latende. Mogelijk zijn hierbij slachtoffers gevallen daar ‘snuffelaars’ nadien in het wrak toch nog wat persoonlijke eigendommen vonden tussen de volledig uitgebrande restanten.
Na het vertrek van de Typhoons werden de artilleriebeschietingen op Veghel snel hervat. Twee Typhoons welke boven Havelte en Het Ham opereerden werden door de Duits luchtafweer neergeschoten; een ervan stortte neer op Het Ham, waarbij de vlieger omkwam – de 22-jarige Pilot-Officer Derick Roy O’reilly SHEARBURN. zie hoofdstuk 7.3 / Bijdrage 90.
In Keldonk brandden vier boerderijen af; in brand geschoten door Duitse troepen – reden daarvoor niet bekend. Het zijn de boerderijen van G. Timmers C.21 en H. Tielemans C.27 aan de Keldonkse kant van het kanaal en van A. vd. Linden C.11 en A. vd. Nieuwenhuizen C.13 aan de overzijde van het kanaal.
In Erp ging de woning van molenaar A.J. van Grinsven, Kreugenstraat B.186 verloren; zij werd totaal verwoest.
Veel schade werd er aangericht aan woningen, kerk, pastorie, klooster.
De volgende dag, zaterdag 23 september leek in de beginne een voortzetting van die ‘zwarte vrijdag’. Herhaaldelijke uitwisselingen van artillerievuur, schuilkelders vol hongerig en meestens slecht geslapen hebbend volk, enkele licht gewond geraakte burgers. In de kelder van de pastorie huisden inmiddels rond de veertig personen, van jong tot (stok)oud. Ook in de grote en stevig gebouwde kelder van de melkfabriek “St. Joseph” vinden vele families een schuilplaats.
En tot laat in de avond nog steeds richting Veghel trekkende Duitse grenadiers, zwaar bewapend en wederom aanvallende Typhoons; minder in aantal en hoofdzakelijk gericht op Havelte – Veghel. Evenals de dag ervoor gaat de gebruikelijke dienst (het Lof) in de kerk niet door. En veel kleine voorvalletjes: van soms helpende Duitse soldaten tot de baas spelende overwinnaars, die op het punt staan te verliezen, granaat- of kogelinslagen, hulpbehoevende kinderen of ouderen in te volle schuilgelegenheden.
In de loop van de dag nog een drietal voorvallen aan de zijde van de geallieerden en waarbij Britse en Amerikaanse militairen sneuvelden. Eerst de noodlandingen van twee US-zweeftoestellen, op weg naar de 82e US-Airborne Division te Groesbeek-Nijmegen; zij landden te Boerdonk en in het Hurkske te Erp. Hun voorvallen zijn uitvoerig beschreven in Hoofdstuk 7.4, Bijdragen 82-84.
Te Keldonk bij de brug naar het Hool sneuvelden die morgen zes leden van The Royal Dragoons R.A.C. (Royal Armoured Corps=pantsertroepen) van het Britse leger. Deze eenheid – een eskadron verkenningswagens van het type White M3 Scout Car en ingedeeld bij de 15/19th Hussars – ondersteunde de Amerikaanse parachutisten. Die morgen reden zij met minstens drie wagens een verkenningspatrouille aan de westzijde van de Zuid-Willemsvaart van Zijtaart naar het Hool-Keldonk; de oostzijde van het kanaal was nog in handen van de Duitsers, namelijk als de linkerflank van de aanval op Veghel door de Kampfgruppe Walther. Duitse eenheden lagen o.a. bij het café van Bekkers en de boerderijen van v.d. Steen en Tielemans. Vlakbij de afslag naar het Hool vielen enkele verkenningswagens volgens Britse rapporten in een hinderlaag, gelegd door drie als Amerikaanse parachutisten geklede Duitsers en in de rug gedekt door Duitse eenheden in de omgeving.
Het Britse oorlogsdagboek van de eenheid zegt:
“22 sept. 1944. Ondertussen bracht 2e Lt. Stride met 4th Troop op de oostflank de gehele dag door met het verhinderen van vijandelijke pogingen om via een halfverwoeste brug een kanaal over te steken. Daarin slaagde hij, maar op het einde van de dag was het de vijand toch gelukt om verder naar het noorden een bruggenhoofdje over het kanaal te vormen, door middel van een boot.
23 sept. 1944. Toen hij de volgende morgen bij het ochtendgloren terugkeerde bij het kanaal zag hij enkele Amerikaanse militairen, welke hem vanaf de overzijde van het kanaal toewuifden. Daarvoor reed hij verder tot naast de brug en staande in zijn wagen riep hij hen toe om te onderzoeken in welke situatie hij verkeerde.
Het enige antwoord was een stroom van machinegeweervuur vanuit de naburige gebouwen. Stride en zijn telegrafist, Trooper Crompton, sneuvelden beiden daarbij. Verstrikt geraakt in een hinderlaag gaf de sergeant de Troop opdracht om snel verder te trekken en alle voertuigen geraakten weg, met uitzondering van de White scout-car, de laatste in de rij, welke werd getroffen en een sloot in reed. Slechts een van de inzittenden ontsnapte en de anderen werden later allen dood aangetroffen”.
Minstens drie verkenningswagens waren bij het incident betrokken. De leider van de Troop, de 2e. Luitenant David Neal Stride en zijn telegrafist, Trooper (=soldaat) John Crompton werden direct in hun wagen gedood, waarna de wagens meteen met hoge snelheid het Hool in vluchtten, met medeneming van de twee gesneuvelden.
De twee werden door de eenheid begraven op het r.-k. kerkhof te Maria-Hout, alwaar ze – conform het beleid van de Commonwealth War Graves Commission (CWGC) – nog immer een blijvend graf hebben.
Alle voertuigen raakten weg met uitzondering van het laatste; terwijl de scout-car met zes man aan boord vol gas vanaf de kanaaldijk een scherpe draai naar rechts maakte vloog hij uit de bocht en kwam terecht in de sloot aan de linkerzijde van de weg, tegenover de brugwachterwoning. Deze sloot stond voor meer dan de helft vol water als gevolg van het overlopen / lozen van water bij sluis 5 te Keldonk. Vier van de zes inzittenden kwamen hierbij om; misschien al direct bij de beschieting door de Duitsers vanaf de overzijde van het kanaal of kort nadien toen hun voertuig, al in de sloot liggend, nog onder vuur werd genomen. Een inzittende is blijkbaar krijgsgevangen genomen en een inzittende wist te ontsnappen; ook hij kwam in de sloot terecht, kon zich bevrijden en is via de grote – half vol water staande – duiker onder de weg door naar de andere kant gekropen en dan verder door de sloten het Hool in naar de boerderij van Adriaan Biemans. Hierbij had hij hulp gekregen van Marinus Koenders uit Arnhem, een onderduiker, welke verbleef bij Biemans.
Het regiment liet enkele dagen later de vier gesneuvelden begraven in een gezamenlijk veldgraf op de hoek van het weiland, rechts van de weg naar het Hool; zij kregen aldaar ook kruizen. Op 3-9-1946 zijn de vier door een Britse legereenheid (de 55th Graves Concentration Unit) opgegraven en overgebracht naar het Britse Oorlogskerkhof te Uden, waar zij op 4-9-1946 werden herbegraven.
De Keldonkse bevolking liet hen niet zomaar vertrekken. Toen de vier opgegraven waren en in dekens gewikkeld langs de weg waren gelegd in afwachting van het transport naar Uden heeft het Keldonks Mannenkoor onder leiding van J. Kuypers als eerbetoon en afscheid en staande langs de weg en op de brug nog enkele gezangen/hymnen ten gehore gebracht.
De vier gesneuvelden waren: L.Sgt. W.L. Aichingson, 26 jr, uit Londen, Trooper H.E. Barnes, 24 jr. uit Edmonton, Trooper A.F. Eallett, 28 jr en Trooper P.J. Hemsworth-Duke, 20 jr. uit Hove. Zij rusten nu te Uden in de graven vak 2, rij B, nrs. 6 t/m 9.
Een White M3 Scout car
Drie van de zes gesneuvelden
Zondag 24 september 1944 – eindelijk de definitieve bevrijding
Erp en Keldonk zijn op zondag 24 september bevrijd door eenheden van de Britse 50st Northumbrian Infantry Division van het XXX Corps.
In Boerdonk kwamen pas op 28 september Britse eenheden; welke is niet bekend, maar wellicht zijn die vanaf Donk gekomen.
Een tweetal bataljons van de 231st Infantry Brigade van genoemde divisie was betrokken bij de bevrijding van Erp en Keldonk en een derde bataljon trok via Erp naar Boekel om aldaar de bevrijding af te ronden.
Erp kwam voor rekening van het 2nd Batallion Devonshire Regiment. Dit onderdeel arriveerde op zaterdag 23 sept. rond 12 uur in Son om defensieve posities rond de brug over het Wilhelminakanaal in te nemen. Te ca. 21.15 ontving de eenheid een nieuwe order, inhoudende om op zondagmorgen 24 sept. op te rukken naar a little village, called Erp”. Uitvoering gevende aan de opdracht vertrok het bataljon op die dag om 9.35 uit Son over de corridor via Sint-Oedenrode en Veghel naar Erp, waar men te ca. 12.20 arriveerde. Erp was toen al vrij; Amerikaanse para’s en andere Britse eenheden hadden de weg al vrij gemaakt. Gedurende de volgende nacht nog beschoten door Duitse artillerie vanuit het “Gemert-gebied”.
Het bataljon vestigde zijn hoofdkwartier bij de familie Otten en zijn commandoposten in de naastgelegen r.-k. jongensschool in de Schoolstraat, thans Ottenstraat genaamd. Manschappen lagen over het gehele centrum en de buitenwijken van Erp verspreid ondergebracht in huizen, boerderijen en schuren; elk soort ‘onderdak’ werd gebruikt. Op 25 sept. ontving de eenheid om 23 uur orders om op 26 sept. Erp weer te verlaten en door te trekken naar Mill.
De bevrijding van Keldonk was voorbehouden aan 1st Batallion Dorsetshire Regiment van de 231st Infantry Brigade. Zij waren op 23 sept. vanuit Valkenswaard om 16 uur op Doornhoek te Veghel aangekomen en kregen daar rond
21 uur de opdracht om op 24 sept. bij het eerste daglicht naar Keldonk – coördinaat qE5034 op te trekken en daarbij elk vijandelijk obstakel tussen Veghel en Keldonk te verwijderen.
Zij waren er zeer vroeg bij want in hun War Diary werd vermeld dat om 6 uur (mogelijk Britse tijd) Keldonk en omgeving was occupied. Geen Duitsers meer in de buurt, dus als bevrijd beschouwd.
Dezelfde morgen nog kregen zij alweer een nieuwe order: om 11 uur via Erp naar Volkel optrekken – rond 14 uur waren ze daar op Vloet. Ze hadden wegens gemis van Duitsers in Keldonk niets meer te zoeken.
Het derde bataljon, dat op die zondag actief was in onze contreien was het 1st Batallion Hampshire Regiment. Dit had op de voormiddag van 23 sept. Lieshout bevrijd, kreeg opdracht om op 24 sept. via Veghel (bereikt om 10 uur) en Erp (bereikt om 14 uur) naar Boekel te trekken. Daar verbleef het om op 27 sept. door te trekken naar St. Hubert en Haps.
Maar alvorens het 2nd Batallion Devonshire Regiment in Erp arriveerde was het dorp al meerdere uren bevrijd, in ieder geval van de Duitse invallers verlost. Ongeveer te middernacht van 23 op 24 sept. had het hoofdkwartier van de Kampfgruppe Walther te Gemert besloten om de aanval op Veghel te beëindigen en zich terug te trekken. Als reden daarvoor staat in hun annalen vermeld de dreiging en daardoor gevaar voor omsingeling door op zaterdagnamiddag 23 sept. rond Uden met zweefvliegtuigen gelande Amerikaanse luchtlandingstroepen. Die waren er inderdaad geland, maar hun bestemming was Overasselt, de 82nd US-Airborne Division. Het waren gedwongen landingen vanwege beschadigingen aan toestel of trekvliegtuig en voor een deel ook wegens een onjuiste beslissing. Maar daarvan hadden de Duitsers geen weet en gaven er een verkeerde uitleg aan.
Veel stiller dan gekomen waren de Duitse troepen, eigenlijk zomaar ineens, vertrokken; uit Havelte, het Ham, maar ook uit Keldonk, Erp en de Hurkske-bossen. En via Leek en Donk ook uit Boerdonk. Zij hadden zich voorlopig teruggetrokken op Gemert. De stilte leek zomaar ineens uitgebroken. De mensen hadden het in eerste instantie niet zozeer in de gaten, totdat daar b.v. in Erp rond 9 uur enkele patrouilles aankwamen; Amerikaanse, meteen gevolgd door Britse. Deze, zoals gebruikelijk in camouflagekleding, het geweer zo ongeveer in de aanslag, aan weerszijden van de weg in groepjes van telkens een man of vier. Bij het gemeentehuis werd halt gehouden en overleg gepleegd, ook met mensen van de plaatselijke ondergrondse. Daarna kwamen pas de mannen van 2nd Batallion Devonshire Regiment.
Toen al kon geconcludeerd worden, dat Erp bevrijd was. Ofschoon gedurende de dag nog wel Duitse granaten van de in de omgeving van Gemert opgestelde artillerie in Erp en omgeving bleven neerkomen.
Koks was nog niet bevrijd. De brug over de Aa aldaar was gesprongen en het gebied achter de rivier richting Gemert bleef nog beheerst door de Duitsers tot maandagvoormiddag 25 sept.
Die zondagmorgen reden enkele Britse carriers met militairen over de Gemertsedijk naar Koks. Halverwege tussen de boswachterswoning en Koks werden zij onder vuur genomen door lichte Duitse artillerie en zij keerden meteen om.
Waarschijnlijk zat in de omgeving Koks nog een Duitse waarnemer en stond aan de rand van Gemert (De Falie) nog Duitse artillerie opgesteld.
Harrie Otten en ook huisarts Henrar keerden die zondag vanuit Veghel in Erp terug. Stoffelijke overschotten van twee Duitse soldaten werden aangetroffen in het parochiehuis; de ondergrondse begroef hen op het r.-k.kerkhof.
In juli 1945 kregen de burgemeesters van alle Nederlandse gemeenten van de Commissaris van het Militair Gezag het verzoek om inlichtingen te verstrekken inzake allerlei oorlogsaangelegenheden; hieronder ook informatie omtrent de omstandigheden waaronder de bevrijding had plaats gevonden en de datum, waarop hun gemeente als bevrijd zou kunnen worden beschouwd. De inlichtingen die vanuit Erp werden verstrekt, waren voor het Ministerie van Binnenlandse Zaken aanleiding om die voor onze gemeente te stellen op zondag 24 september 1944.
Maandag 25 september – fatale mijnexplosie
De bevrijding bracht uiteraard veel blijdschap en opgetogenheid onder de bevolking; zij had tot dusverre geen persoonlijke slachtoffers te betreuren gekregen, slechts enkele lichtere gewonden. Dat een oorlogstoestand plotseling kan veranderen in een drama moest Erp ondervinden op de eerste volle vrije dag, maandagvoormiddag 25 september.
Ter afscherming van het bevrijde centrum van Erp tegen eventuele infiltratieacties van de op Gemert teruggetrokken Duitsers hadden de Britten ter hoogte van de Melkfabriek “Sint Joseph” in de late avond van zondag 24 september dwars over de straat een gordel van zware mijnen geplaatst; Duitse voertuigen zouden dan hierop zijn gestrand. Nadat de volgende morgen de toestand volledig veilig werd beoordeeld – er waren al berichten, dat de Duitse troepen zich ook uit Gemert aan het terugtrekken waren – werden de mijnen door Britse militairen weer weggenomen en tijdelijk opgeslagen in de tuin van Fr. v.d. Ven, directeur van de melkfabriek. Tijdens deze werkzaamheden ging het rond half twaalf gruwelijk mis met dramatische gevolgen. Wat er exact is gebeurd is onbekend gebleven, doch plotseling explodeerde de mijnenvoorraad in de tuin. Een geweldige klap en schokgolf denderde door de Erpse straten en eenieder schoot in een alarmtoestand. De gevolgen ter plaatse waren aangrijpend.
Twee Britse militairen, welke in de tuin in het hart van de ontploffing bezig waren met hun werk, werden op slag gedood en zwaar verminkt weggeslingerd tot op het terrein van de melkfabriek en tegen de voorgevel van de tegenover gelegen café van Harrieke v.d. Laar, het huidige Tramstation.
Twee Erpse mannen – een nog een jongen – die zich toevallig in de buurt bevonden en kwamen aanlopen, werden eveneens slachtoffer; een werd onmiddellijk gedood, de tweede – de jongen – zo zwaar gewond, dat hij al na korte tijd hieraan overleed. Een derde Erpse jongeman kwam op enige afstand op een transportfiets aanrijden en kreeg ook een zodanige zware klap van de explosie mee, dat hij blijvend blind raakte.
Anderen hadden geluk; de jonge Jacques v.d. Ven zat bij een Britse soldaat in een schuttersput tussen de straatweg en de voortuin van zijn ouderlijk huis. De straat lag daar vele centimeters lager dan de tuin. Het dodelijke geweld van de explosie sloeg daardoor over de schuttersput met Jacques en de Britse soldaat heen. Geen schrammetje, maar half doof.
Erp werd in één slag in rouw gedompeld – na twee dagen frontlijn zonder dodelijke slachtoffers doorstaan te hebben op de eerste volle dag van bevrijding dit drama.
In de War Diary – het oorlogsdagboek – van het Devonshire-bataljon werd een korte vermelding van het voorval opgenomen; geschreven staat er 25-9-44. 1200 hrs. At midday two pioneers were killed while inspecting T.T. mines – and others were wounded.
De twee Erpenaren die omkwamen waren de 29-jarige Antonius Manders wonende aan de Boerdonksedijk, sinds een halfjaar getrouwd met Josina Biemans en de net 14-jarige Theo Hendriks, wonende aan de Hoogstraat.
Beiden werden begraven op het r.-k. kerkhof te Erp.
De bij de ontploffing blind geraakte was Johannes van den Elzen (geboren op 6-5-1918). Jan kreeg een – toen nog maar zelden toegekende – blindengeleidehond ter beschikking. Onder diens geleide maakte Jan vele en lange tochten. Hij overleed ruim acht jaar later door verdrinking in de Zuid-Willemsvaart.
De twee omgekomen Britse soldaten waren Lance Corporal John Henry Marks, 33 jr. en Private (=soldaat) Basil Shine, 25 jr. Zij werden begraven in veldgraven vóór de heg rechts van het café Het Tramstation en zijn op 4 sept. 1946 door de Britse 55e Graves Concentration Unit herbegraven op het Britse Oorlogskerkhof Uden, graven vak 2, rij B. nrs 10 en 11.
Erp kon zich gaan opmaken voor de verwerking van het verdriet om verlies van inwoners, de verzorging van toch wel een aantal – meest licht – gewonden en het herstel van geleden schaden.
Maar dat de oorlog nog niet was afgelopen en dat dat ook in Erp voelbaar was bleek al snel.